Elke Geraerts pleit voor een mentale revolutie
Ons brein is geen multitasker, maar een serial processor. Toch organiseren we werk alsof we eindeloos kunnen schakelen. Het resultaat: minder focus, meer vermoeidheid en een groeiende kloof tussen wat mensen kunnen en wat organisaties vragen. In dit gesprek maakt Elke Geraerts duidelijk dat een belangrijke sleutel voor de toekomst van werk zit in beter begrijpen hoe ons brein functioneert.
Als ik Elke voor de camera krijg tijdens een teamsmeeting, is ze net terug van de HR-week in Lissabon. Tussen alle keynotes over technologie en AI stond de werking van het menselijk brein centraal. “We hadden het over de toekomst, maar eigenlijk keerde nagenoeg elke presentatie terug naar de basis,” vertelt ze. “Hoe werkt ons brein? En waarom organiseren we werk daar zo weinig rond?”
Serial processor
Ons brein is niet gemaakt om voortdurend te schakelen. Laat ons daarmee beginnen. Ook al lijkt dat in een moderne werkomgeving nodig. Het constante schakelen kost energie, vermindert onze concentratie en verklaart waarom we ons op het einde van de werkdag zo moe voelen. Wanneer we ons focussen op één taak tegelijk, werkt het brein veel efficiënter en maken we minder fouten.
Dat is meteen een van de belangrijkste inzichten uit de neurowetenschappen en tegelijk ook het meest genegeerde: ons brein kan niet multitasken. Wat we multitasking noemen, is in werkelijkheid razendsnel schakelen tussen taken. Het brein is, zoals Elke het benoemt, een serial processor, het verwerkt informatie sequentieel, niet parallel.
“En dat voortdurende schakelen heeft inderdaad een prijs”, bevestigt ze. “Elke onderbreking vraagt energie en tijd om opnieuw in een taak te komen.” Ze verwijst naar onderzoek van professor Gloria Mark, die heel bezorgd is om ons vermogen tot aandacht. De Amerikaanse schreef daar vrij recent ook een boek over (Attention Span, find focus fight distraction). In haar onderzoek toont ze aan dat het tot ruim twintig minuten kan duren voor we na een interruptie opnieuw volledig geconcentreerd zijn. Toch organiseren we onze werkdag alsof dat geen probleem is. “Het is alsof je een auto constant laat stoppen en weer laat optrekken, en dan verbaasd bent dat het brandstofverbruik zo hoog ligt.” Ons brein functioneert vandaag op die manier: voortdurend schakelen, voortdurend energie verliezen.”
Ontwerpfout
In de toekomst van werk zal het dus belangrijk zijn om werkomgevingen te creëren die diepe focus ondersteunen, in plaats van constante prikkels. Geconcentreerd kunnen werken verhoogt de productiviteit en kan de werkdruk verlagen. Maar in de zoektocht naar meer focus dreigt een ander essentieel element van werk naar de achtergrond te verdwijnen: samenwerking. Een organisatie kan niet draaien als iedereen zich afschermt. Collega’s moeten elkaar kunnen bereiken om vragen te stellen, informatie te delen of beslissingen te nemen. Ook voor klanten is bereikbaarheid belangrijk. Als mails blijven liggen omdat iedereen in focusmodus zit, kan dat de dienstverlening onder druk zetten.
Volgens Elke zit hier geen tegenstelling maar een ontwerpfout. “In veel organisaties wordt focus tegenover samenwerking geplaatst. Wie geconcentreerd wil werken, moet zich afsluiten. Wie bereikbaar wil zijn, moet zijn focus opgeven.” Maar volgens haar is dat een vals dilemma. “Focus en samenwerking zijn geen tegenpolen,” stelt ze. “Ze vragen gewoon een andere, doordachte architectuur van werk.”
“Bovendien laten organisaties die spanning beter niet over aan het individu”, vervolgt ze. “Werknemers moeten doorgaans zelf uitzoeken wanneer ze bereikbaar zijn en wanneer ze zich afsluiten. Dat leidt tot frustratie, inefficiëntie en uiteindelijk uitputting. Wat nodig is, is een bewust ontwerp: wanneer werken we in diepe focus, wanneer werken we samen, en hoe stemmen we dat op elkaar af?”
Oscillatie
Centraal in Elke haar visie staat het idee van ritme, of wat zij oscillatie noemt. “Ons brein werkt niet lineair, maar in golven. Net zoals een hartslag of ademhaling kent het een natuurlijk ritme van inspanning en herstel. In de neurowetenschappen zien we dat letterlijk terug in breingolven: fluctuaties in activiteit die bepalen wanneer we scherp denken, wanneer we reflecteren en wanneer we herstellen.”
Volgens Elke ligt daar een belangrijke sleutel voor de toekomst van werk. “We moeten stoppen met proberen continu te presteren. Ons brein is daar gewoonweg niet voor gemaakt. Het functioneert optimaal in oscillatie: een afwisseling tussen inspanning en herstel, tussen focus en verbinding. Dat ritme lijkt op een golf, een voortdurende beweging, op en neer. Wanneer we dat ritme negeren en proberen om continu te presteren, raken we uitgeput en worden we minder productief. Het probleem is dat die natuurlijke golf vandaag wordt afgevlakt. We zitten constant in een toestand van half-focus, onderbroken door prikkels, zonder ooit echt diep te werken of echt te herstellen.”
Ook hier gaan de meeste organisaties volgens Elke collectief in de fout door dat ritme volledig bij het individu te leggen. “We verwachten dat mensen hier zelf over waken in een omgeving die daar totaal niet op ingericht is.” Het resultaat: iedereen probeert individueel te overleven in een systeem dat collectief verkeerd ontworpen is.”
Focus Charters
Een mogelijke oplossing die Elke aanreikt, is het werken met een focus- en samenwerkingscharter. Teams maken samen afspraken over bereikbaarheid, focusmomenten en samenwerking. Dat roept meteen een kritische vraag op of zo’n charter wel inclusief is. En of het wel rekening houdt met individuele verschillen.
Volgens Elke zit net daar de kracht. “Je vertrekt vanuit de noden van het team én de organisatie, maar je laat ruimte voor individuele invulling.” Een organisatie kan bijvoorbeeld bepalen dat klantgerichtheid belangrijk is, maar teams kunnen zelf invullen hoe ze bereikbaarheid en focus combineren. Het gaat dus niet om rigide regels die door iedereen gevolgd moeten worden, maar om georkestreerde flexibiliteit.
Read the manual
Het verbaast Elke dat we voor elke tool die we gebruiken op het werk een handleiding krijgen, maar voor ons brein – ons belangrijkste werkinstrument – krijgen we dat niet.” Ze pleit ervoor om organisaties een soort manual te laten ontwikkelen: hoe werkt ons brein, wat betekent dat voor werken, en hoe gaan we daar als team mee om? Wat haar betreft, maakt zo’n handleiding idealiter zelfs deel uit van onboarding.
Brain drain
We hebben het in tijden van krapte op de arbeidsmarkt over de zogenaamde brain drain, waarbij hoogopgeleide mensen hun land verlaten en naar plekken trekken met betere kansen op niveau van jobs, loon, onderzoek en levenskwaliteit. Maar volgens Elke gebeurt de grootste verspilling intern in onze organisaties. “Brain drain gebeurt niet alleen wanneer talent vertrekt, maar ook wanneer talent niet tot zijn recht komt.” Ze herdefinieert brain drain als het niet benutten van talent door een niet-breinvriendelijke manier van werken. “Wat heb je aan talent, als je manier van werken ervoor zorgt dat dat talent niet tot zijn recht komt?”
Breinvriendelijk werken kan volgens haar zelfs een strategisch voordeel worden. “Onderzoek toont aan dat organisaties die werk afstemmen op het brein, betere resultaten halen: meer productiviteit, minder fouten, meer creativiteit en minder uitval.”
Werken zoals we sporten
In de sportwereld is het al lang duidelijk: spieren worden niet sterker tijdens de inspanning zelf, maar in de momenten van herstel nadien. Zonder rust ontstaat er zelfs overbelasting en schade. Die logica begrijpen we intuïtief wanneer het over ons lichaam gaat. Maar zodra het over ons brein gaat, draaien we dat principe om. Op het werk gedragen we ons alsof mentale capaciteit net toeneemt door meer en langer te werken, door voortdurend aan te staan en elke minuut te vullen.
“Net zoals bij fysieke training heeft ook ons brein herstel nodig om goed te functioneren. Zonder die afwisseling stapelt vermoeidheid zich op, daalt de concentratie en neemt ook de kans op fouten toe. Productiviteit ontstaat dus niet uit constante inspanning, maar uit ritme: de bewuste afwisseling tussen focus en herstel. Dat maakt dat ons brein optimaal kan blijven presteren.”
Thuiswerk
De pandemie heeft onze manier van werken fundamenteel hertekend, en misschien nergens zo zichtbaar als in ons kijk op thuiswerk. Voor corona had thuiswerken een duidelijke functie: het was een bewuste keuze om even uit de drukte van de werkvloer te stappen en in alle rust geconcentreerd te kunnen werken. Thuis stond synoniem voor focus.
Tijdens de pandemie kantelde dat volledig. Plots werd thuis de enige werkplek, maar dan wel een werkplek midden in het gezinsleven. Kinderen waren thuis, partners werkten mee aan de keukentafel, er werd verbouwd, geleefd en gewerkt tegelijk. Toch bleven we functioneren, vaak zelfs verrassend productief. We pasten ons aan, maakten nieuwe gewoontes en hielden de organisatie draaiende in een uitzonderlijke context.
En daar zit volgens Elke het probleem. “Die uitzonderlijke situatie heeft twee jaar lang nieuwe patronen ingesleten. We hebben geleerd om te werken in een context van constante interferentie en we zijn dat nadien blijven doen alsof het de norm is.”
Vandaag zien we daar de gevolgen van. Thuiswerk wordt nog steeds geassocieerd met flexibiliteit en efficiëntie, maar is in de praktijk vaak een omgeving vol afleiding. Kinderen die thuis zijn, huishoudelijke taken die tussendoor gebeuren, externe prikkels die blijven binnenkomen. Tegelijk voelen mensen de nood om te tonen dat ze aan het werk zijn door snel te reageren op berichten en permanente bereikbaarheid.
“Dat creëert een paradox. We werken thuis om meer focus te hebben, maar organiseren ons werk op een manier die focus net onmogelijk maakt. Bovendien verdwijnt ook de spontane connectie met collega’s, waardoor samenwerking minder vanzelfsprekend wordt. Wat ooit een instrument was om geconcentreerd te werken, is geëvolueerd naar een hybride vorm van werken waarin we voortdurend schakelen en dat constante schakelen is dus wat ons brein de meeste energie kost.”
De val van schijnproductiviteit
Digitale tools en artificiële intelligentie worden vaak voorgesteld als dé oplossing om efficiënter te werken. Ze nemen repetitieve taken over, versnellen processen en maken informatie toegankelijker dan ooit. Maar in de praktijk ziet Elke ook een ander effect: technologie creëert niet alleen efficiëntie, maar vaak ook extra werk en mentale belasting.
Een eerste fenomeen dat daarbij opduikt, is wat zij omschrijft als pseudo work. “Dat zijn activiteiten die op het eerste gezicht productief lijken zoals e-mails beantwoorden, documenten aanpassen, dashboards updaten, meetings voorbereiden, maar die weinig echte waarde toevoegen. Ze geven het gevoel van druk bezig zijn, zonder dat ze wezenlijk bijdragen aan vooruitgang of resultaat.”
Daarbovenop komt wat onderzoekers workload creep noemen: het sluipende effect waarbij technologie het werk niet vermindert, maar net doet toenemen. “Omdat tools sneller werken, verwachten we ook sneller resultaat. We laten meerdere processen tegelijk lopen, schakelen tussen verschillende systemen en voegen taken toe die er vroeger simpelweg niet waren. Wat bedoeld was om tijd vrij te maken, vult die tijd opnieuw op.”
Het gevolg daarvan is een toestand die steeds vaker wordt beschreven als brainfry: mentale overbelasting door een constante stroom aan informatie, prikkels en digitale interacties. Het brein krijgt geen kans meer om te vertragen of te herstellen, en raakt als het ware oververhit.
Daarnaast wijst Elke op een subtieler, maar minstens even belangrijk effect. “Naarmate we meer taken uitbesteden aan technologie, van schrijven tot analyseren en structureren, verschuift ook ons eigen denkproces. We leunen steeds vaker op tools om antwoorden te genereren, waardoor ons kritisch denkvermogen en onze betrokkenheid afnemen.”
Technologie kan dus zowel een hefboom als een valkuil zijn. Ze kan ruimte creëren voor diep werk en creativiteit, maar alleen als ze bewust wordt ingezet. Anders dreigt ze ons net verder weg te duwen van wat ons als mens uniek maakt: denken, verbinden en betekenis geven.
Het popcorn brein
In die context ontstaat wat Elke het popcorn brein noemt: een brein dat voortdurend van de ene prikkel naar de andere springt. Notificaties, mails, meetings en digitale tools trekken onze aandacht in alle richtingen, waardoor denken versnipperd raakt. We reageren vooral, in plaats van bewust te kiezen waar we onze aandacht aan besteden. Het gevolg is dat we wel constant bezig zijn, maar zelden nog in echte diepgang komen.
Dat popcornbrein sijpelt ook door in hoe organisaties functioneren en hoe leiderschap wordt ingevuld. Leiders die zelf voortdurend schakelen, reageren en druk bezig zijn, versterken onbewust diezelfde dynamiek in hun teams. Zo ontstaat een cultuur waarin snelheid en beschikbaarheid primeren op reflectie en richting.
Net daarom is er volgens Elke vandaag meer dan ooit nood aan leiders die het tegenovergestelde belichamen. “Leiders die rust brengen, maken het mogelijk om betere beslissingen te nemen, meer nuance toe te laten en vertrouwen op te bouwen in hun team. In een omgeving die steeds luider en sneller wordt, zit de echte kracht in gerichter werken. Niet elk signaal vraagt een reactie, niet elke prikkel verdient aandacht.”
Focus is het nieuwe IQ, connectie het nieuwe EQ
Volgens Elke ligt de kern van toekomstig werk in twee vaardigheden: focus en connectie. “Focus wordt het nieuwe IQ, het vermogen om diep te denken, complexe problemen aan te pakken en kwaliteit te leveren. En connectie wordt het nieuwe EQ, de capaciteit om samen te werken, empathie te tonen en echt impact te maken. De twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zonder focus geen diepgang. Zonder connectie geen betekenis. Wie beide beheerst, maakt het verschil.”
De mentale revolutie
Al deze inzichten komen samen in het boek waar Elke momenteel aan werkt en dat in januari 2027 verschijnt. Haar centrale idee is helder: na de industriële revolutie en de digitale revolutie staan we vandaag aan de vooravond van een mentale revolutie. “Waar eerdere revoluties draaiden rond machines, efficiëntie en technologie, verschuift de aandacht nu naar iets fundamentelers: de mens zelf. Hoe werkt ons brein? Hoe gaan we om met aandacht, energie en prikkels? En hoe organiseren we werk op een manier die daarmee in lijn ligt, in plaats van er voortdurend tegenin te gaan?”
En die vraag is urgenter dan ooit. Want naarmate technologie blijft versnellen, botsen mensen steeds meer op hun grenzen. We proberen productiever te zijn door meer te doen, sneller te schakelen en altijd bereikbaar te blijven. Terwijl dat onze productiviteit net ondermijnt. Daardoor verliezen we focus, geraken uitgeput en leveren we minder kwaliteit. Werken wordt pas echt toekomstbestendig wanneer we stoppen met ons brein te negeren, en het eindelijk als vertrekpunt nemen.

Foto’s: Boumediene Belbachir





