fbpx

Onderzoek: Covid-19 leidt tot sociaal isolement bij werknemers

In samenwerking met de Universiteit van Leuven heeft StepStone een nieuwe COVID-19 studie gelanceerd onder Belgische werknemers. Twee bevindingen zijn opvallend. Ten eerste meldt een duizelingwekkende 78% een afname van de sociale interactie op het werk tijdens de crisis.

Daarnaast blijken de veranderingen in de werklast en de autonomie helemaal niet uniform, wat leidt tot niet minder dan vijf verschillende soorten jobveranderingen. Dit is in tegenspraak met de opvatting dat de Covid-19-crisis het risico op een burn-out voor werknemers sterk verhoogt.

De resultaten suggereren daarentegen dat de Covid-19-crisis vooral de motivatie van werknemers aantast, maar op tegengestelde wijze: 25% krijgt een meer stimulerende job, terwijl 17% een minder stimulerende invulling van de job krijgt.

8 op 10 zeggen dat hun sociale contacten op het werk zijn afgenomen – “drastisch afgenomen” voor meer dan de helft

Met thuiswerk als de nieuwe norm hebben de sociale contacten een klap gekregen, volgens een duidelijke meerderheid van de respondenten. Een duizelingwekkende 78% zegt dat de sociale interactie op het werk is afgenomen tijdens de coronacrisis. Het belangrijkste gevolg van de Covid-19-crisis is dus het risico om eenzaam en sociaal geïsoleerd te worden. Volgens meer dan de helft (50,6%) is de sociale interactie zelfs drastisch afgenomen. Voor 16,7% bleven de sociale contacten echter gelijk – en voor 5,3% namen ze zelfs toe.

Geen eenzijdige reacties op Covid-19 met betrekking tot werkdruk of autonomie…

De evolutie van de werkdruk en de autonomie op het werk was veel minder uniform. Op de vraag of de werkdruk is toegenomen, antwoordt 41% van de respondenten positief. Onder werkdruk begrijpen we de mate waarin men onder tijdsdruk en in een hoog tempo moet werken. Opmerkelijk is echter dat 29,2% ook zegt dat de werkdruk is afgenomen en dat de werkdruk even hoog is gebleven (29,3%) als de werkdruk – met of zonder COVID-19.

Deze verscheidenheid aan veranderingen is in tegenspraak met de populaire opvatting dat de werkdruk voor de meeste werknemers is toegenomen als gevolg van de Covid-19-crisis.

Ook op het gebied van de autonomie op het werk is een grote verscheidenheid aan uitkomsten vastgesteld. Dit heeft betrekking op de mate waarin de werknemer kan bepalen wat, wanneer en hoe hij/zij iets gaat doen op het werk. Een grote meerderheid van de respondenten (63,7%) meldt hier geen enkele verandering. Voor bijna een kwart van de respondenten (24,5%) is de autonomie op het werk sinds het begin van de crisis in maart afgenomen. Voor 11,6% is de autonomie op het werk echter toegenomen.

… wat leidt tot niet minder dan vijf verschillende veranderingspatronen

De media hebben vaak gesuggereerd dat de veranderingen in banen als gevolg van Covid-19 nogal eenduidig zouden zijn. Er is vooral gepleit voor een toename van het aantal stressvolle jobs, wat op langere termijn tot meer burn-outgevallen zou kunnen leiden. De resultaten zijn heel anders.

Verrassend genoeg komen uit de gegevens maar liefst vijf verschillende reactiepatronen naar voren, wanneer we de veranderingspatronen met betrekking tot twee aspecten analyseren: werkdruk en autonomie[1]:

  1. Geen verandering – 38%
  2. Minder mogelijkheden voor groei en ontwikkeling/minder stimulerend werk – 25%.
  3. Meer mogelijkheden voor groei en ontwikkeling/meer stimulerend werk – 17%.
  4. Meer ontspannen werk – 1,5%
  5. Stressvoller werk – 9%

Er kunnen drie interessante conclusies worden getrokken.

Ten eerste is de jobinhoud voor ongeveer 40% van de werknemers niet veranderd. Hun werkdruk en hun autonomie werden in het geheel niet beïnvloed door de Covid-19-crisis. Vooral deze respondenten ervoeren een hoge mate van werkzekerheid en meldden de hoogste niveaus van job- en levenstevredenheid.

Ten tweede wordt de populaire veronderstelling dat de meeste jobs stressvoller zouden worden, in dit onderzoek helemaal niet bevestigd. Slechts 9% van de jobs van de respondenten evolueerde naar een meer stressvolle job (meer werkdruk en minder autonomie). Vooral de respondenten in de publieke sector meldden een evolutie naar een meer stressvolle job. Respondenten van dit type zijn minder tevreden met hun job en leven, en zijn minder tevreden met de manier waarop hun werkgever met de Corona-crisis omging. Ze voelen zich ook onzekerder over hun job en over de evolutie van de kwaliteit ervan.

Ten derde hebben de belangrijkste effecten van de Covid-19-crisis betrekking op de mogelijkheden voor groei en ontwikkeling, en niet zozeer op een toename van de stress.

Dit betekent dat de crisis vooral de motivatie en de energie van de respondenten heeft aangetast, en het vermogen van hun jobs om hen te stimuleren tot actie en prestaties.

Ongeveer een kwart van de respondenten geeft aan dat hun job evolueerde naar een minder stimulerende job (minder autonomie en minder werklast). Een dergelijk patroon wordt vooral geassocieerd met passiviteit. Deze verandering is dominanter voor zelfstandigen en arbeiders. Zij waren vaker tijdelijk werkloos. Ze voelen zich ook onzekerder over de toekomst van hun job en linken de Corona-crisis aan die onzekerheid.

Tegenover dit patroon staat een groep van 17% die meldt dat hun job sinds de Covid-19-crisis meer mogelijkheden biedt voor groei en ontwikkeling. Hun job werd meer stimulerend (toename van de werklast en toename van de autonomie). Dit patroon gaat gepaard met meer energie, meer activiteit en hogere prestaties. Vooral bedienden van hoger niveau en managers meldden een dergelijke verandering. Ze voelden ook zekerheid over het behoud van hun werk in de toekomst.

Een andere mogelijke invloedrijke factor in de richting van een toename van stress tijdens de corona-crisis kan natuurlijk ook het thuisonderwijs van kinderen zijn en extra verantwoordelijkheden. Deze studie richtte zich echter alleen op het beroepsleven: veranderingen in functiekenmerken en bijbehorende ervaringen zoals motivatie en stress. Stress uit de privésfeer die het beroepsleven beïnvloedt, werd dus niet in aanmerking genomen, maar speelde ongetwijfeld een factor in deze periode voor een relevant aantal respondenten.

[1] Resultaten van een clusteranalyse. Er werd geen rekening gehouden met sociale interactie, aangezien een grote meerderheid van de respondenten aangaf dat de sociale interactie in hun job afnam. Hierdoor was er onvoldoende variatie op dit aspect.

Deze studie werd uitgevoerd in samenwerking met Prof. Dr. Hans De Witte en dra. Anahí Van Hootegem van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de KU Leuven (Onderzoeksgroep Arbeids-, Organisatie- & Personeelspsychologie; WOPP-O2L).De gegevens werden verzameld door middel van een online enquête op het hoogtepunt van de tweede Corona-golf in België (28 juli – 9 augustus 2020). In totaal namen 2845 respondenten deel aan deze studie (talen: 66% Nederlands, 26% Frans en 8% Engels). De steekproef was voornamelijk hoogopgeleid (67 % diploma hoger onderwijs). Ongeveer 64% was bediende van hoger niveau (wetenschap, gezondheid, onderwijs, administratie, ICT), 27% was bediende van lager niveau (bv. administratieve ondersteuning), en 9% arbeider. Ongeveer 68% werkte in de privésector, 20% in de publieke sector en 8% was zelfstandig ondernemer (5% antwoordde: ‘overig’). 42% van de respondenten waren mannen en 58% vrouwen, en de gemiddelde leeftijd was 45 jaar.

meer info via Stepstone

Share on facebook
Deel via Facebook
Share on twitter
Deel via Twitter
Share on linkedin
Deel via LinkedIn
Share on pocket
Opslaan in Pocket
Share on whatsapp
Deel via WhatsApp
Share on email
Verstuur per e-mail

Schrijf je in op de #ZigZagHR-nieuwsbrief



Gerelateerde artikels.