Tot en met vorig jaar namen steeds meer werknemers verlof voor de zomer begon. Dit jaar lijkt die trend gekeerd: voor het eerst in vijf jaar namen werknemers dit voorjaar minder verlof dan het jaar voordien. Terwijl de werkende Belg in 2025 van januari tot en met mei nog 3,16% van de werkbare uren als vakantie opnam, is dat aandeel in dezelfde periode dit jaar gezakt naar 3,08%. De daling is bijna volledig toe te schrijven aan werknemers in Vlaanderen. Dat blijkt uit een onderzoek van Acerta op basis van de gegevens van 459.000 werknemers in dienst bij 32.000 werkgevers. “Werknemers die het meest vakantie opnemen voordat de zomer begint, blijken vooral zestigers en dertigers”, aldus de experten van Acerta.
Steeds meer werkende Belgen teren niet alleen meer op hun grote vakantie in juli of augustus om er tussenuit te knijpen. De voorbije jaren steeg het aantal opgenomen vakantie in het voorjaar stelselmatig, tot we in 2025 de piek bereikten. Nu lijkt de trend (voorlopig) weer gekeerd: van januari tot en met mei 2026 namen werknemers in België 3,08% van de werkbare uren als vakantie op, terwijl dat aandeel in dezelfde periode in 2025 nog 3,16% bedroeg. Tegenover het voorjaar van 2021 ligt het vakantiepercentage in 2026 wel nog altijd ruim hoger (+44,9%). Maar de stijgende trend die sinds 2021 zichtbaar is, stagneert dus nu voor het eerst.
Marijke Beelen, experte vakantie bij Acerta: “We kunnen inderdaad spreken over een trendbreuk. Tijdens de coronapandemie in 2020 spaarden werknemers hun verlof op voor het najaar. Vanaf 2021 ebde die gewoonte jaar na jaar weg, waarbij werknemers elk jaar opnieuw meer verlof in het voorjaar namen. Vooral de sterke sprong tussen 2021 (2,12%) en 2022 (2,78%, +30,8%) viel op, toen de COVID-beperkingen wegvielen. Aan die langzame toename van vakantieopname in januari-mei komt nu in 2026 een eind. Voor het eerst in vijf jaar nemen werknemers in het voorjaar opnieuw wat minder verlof. Dat zien we trouwens ook als we kijken naar de sectoren: de meerderheid ervan kende in 2026 een daling ten opzichte van 2025. Belangrijk is dan wel dat werknemers hun verlofdagen voor de rest van het jaar nog tijdig inplannen én dat werkgevers daar tijdig toe oproepen, zodat er op het einde van het jaar geen grote golven van afwezigheden ontstaan.”
Daling vooral toe te kennen aan Vlaanderen
Op zich namen werknemers uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel ongeveer evenveel vakantie in januari tot en met mei 2026. Bijna 3,1% van de werkbare uren werd dit voorjaar in elk van de gewesten besteed aan vakantie. Maar de algemene daling van de vakantieopname in het voorjaar is toch vooral toe te kennen aan Vlaanderen. Na jaren van gestage groei kende het Vlaamse Gewest in het voorjaar van 2026 een daling van -3,3% ten opzichte van dezelfde periode in 2025. In Wallonië bleef de vakantieopname in het voorjaar van 2026 ongeveer stabiel (+0,2%) tegenover januari-mei 2025. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kende een lichte daling (-0,5%).
Vergeleken met 2021 – nog volop COVID-periode – is er wel nog een duidelijke stijging in vakantieopname in de periode januari-mei 2026. De toename sinds 2021 is het sterkst in Wallonië (+54,6%) en Vlaanderen (+47,4%), en beperkter in Brussel (+23,8%). De grotere stijging in Wallonië is mee te verklaren doordat de krokusvakantie sinds 2023 twee weken duurt in Brussel en Wallonië.
Vooral mannen én jongeren meer verlof in het voorjaar
Wat ook opvalt: terwijl vrouwen in 2021 nog iets meer verlof in het voorjaar opnamen dan mannen (2,16% vs. 2,10%), is de situatie in 2026 omgedraaid met 3,17% voor mannen tegenover 2,97% voor vrouwen. Vergeleken met 2021 is de stijging bij mannen (+51,2%) wel duidelijk groter dan bij vrouwen (+37,9%). Beide groepen kenden in 2026 evenwel een daling ten opzichte van 2025: mannen -3,3%, vrouwen -1,8%. Dat is voor beide groepen de eerste daling sinds 2021.
Hetzelfde zien we gebeuren bij de jongere versus de oudere leeftijdsgroepen. Vandaag nemen 20- tot 39-jarigen verhoudingsgewijs meer vakantie op dan 45- tot 59-jarigen. In 2021 was die verhouding nog omgekeerd. 60- tot 64-jarigen nemen wel altijd het meeste vakantie op in januari-mei (3,74% in 2026), gevolgd door de 30-34-jarigen (3,37%) en 25-29-jarigen (3,22%). Zestigplussers nemen doorgaans het meeste wettelijke vakantie op in het voorjaar, mogelijk omdat ze minder gebonden zijn aan schoolvakanties om hun verlof te plannen.





