Uit een RSZ-studie blijkt dat het Belgische bedrijfswagenpark tussen 2022 en 2025 in snel tempo vergroent: in drie jaar tijd steeg het aandeel volledig elektrische bedrijfswagens van 2,54% naar 37,19%. Vandaag is dus meer dan één op de drie bedrijfswagens volledig elektrisch. In tegenstelling tot de populariteit van de ruim 200.000 volledig elektrische bedrijfswagens kent het mobiliteitsbudget een veel tragere opmars. Uit de recentste data blijkt dat slechts 22.618 werknemers bij 1.965 werkgevers een beroep deden op het mobiliteitsbudget. Een deel van de verklaring kan zijn dat het mobiliteitsbudget tot op heden op vrijwillige basis wordt aangeboden. Dit zal in de toekomst veranderen, gelet op het aankomende verplichte karakter vanaf 1 januari 2027.
Door Jan Lein, Advocaat – Counsel & Vincent Chu, Advocaat – Medewerker Claeys & Engels


Doel en oorsprong van het mobiliteitsbudget
Bij de invoering van het mobiliteitsbudget beoogde de wetgever voornamelijk twee doelstellingen. Enerzijds kadert het systeem in het behalen van de klimaatdoelstellingen. Anderzijds wil de wetgever bijdragen aan het verminderen van de verkeersdruk op de Belgische wegen door een alternatief te bieden voor de bedrijfswagen.
Uit het Vlaams jaarrapport Verkeersindicatoren Snelwegen 2025 blijkt hoe groot die uitdaging blijft. De Belgische weggebruiker brengt gemiddeld ongeveer één vijfde van zijn reistijd in de file door.
Het mobiliteitsbudget zet daarom in op multimodaliteit. Daarbij worden werknemers aangemoedigd om bewuster en flexibeler gebruik te maken van verschillende vervoersmiddelen, afhankelijk van de concrete verplaatsing.
Architectuur van het mobiliteitsbudget
Werknemers die in aanmerking komen voor een bedrijfswagen conform het bedrijfswagenbeleid van de werkgever (ongeacht of zij effectief een bedrijfswagen hebben gekozen), kunnen gebruikmaken van het mobiliteitsbudget. Bij toetreding tot het mobiliteitsbudget, krijgt de werknemer een mobiliteitsbudget ter beschikking gesteld dat overeenstemt met de jaarlijkse bruto kost van de bedrijfswagen voor de werkgever, ook wel de “Total Cost of Ownership” (TCO) genoemd (zie hieronder).
Dit mobiliteitsbudget kan besteed worden binnen drie pijlers, waarbij de werknemer in principe vrij kan bepalen hoe het budget wordt besteed.
Pijler 1 omvat een milieuvriendelijke bedrijfswagen, waarbij sinds 1 januari 2026 enkel volledig elektrische wagens worden toegestaan. Voor overeenkomsten (aankoop, huur of leasing) die werden afgesloten vóór 1 januari 2026 is een (tijdelijke) overgangsbepaling voorzien waardoor bedrijfswagens met een beperkte uitstoot binnen de Pijler 1 behouden kunnen blijven. De parafiscale behandeling van dergelijke 1e pijler bedrijfswagens is identiek aan die voor klassieke bedrijfswagens. Zowel bij werkgever als bij werknemer.
Het mobiliteitsbudget kan daarnaast geheel of gedeeltelijk worden aangewend binnen pijler 2 en/of pijler 3.
Pijler 2 omvat een brede waaier aan duurzame vervoersmiddelen, waaronder klassiekers zoals openbaar vervoer en bedrijfsfietsen maar ook bijvoorbeeld deelmobiliteit en de terugbetaling van een privaat aangekochte fiets. Ook voor de gemotoriseerde voertuigen uit pijler 2 geldt in principe de regel dat deze volledig elektrisch moeten zijn vanaf 1 januari 2026. Daarnaast kan het budget ook onder meer worden gebruikt voor de financiering van huisvestingskosten, zoals huur of de terugbetaling van een hypothecaire lening. In de praktijk is dit de populairste optie. Hiervoor wordt vereist dat de woning gelegen is binnen een straal van 10 kilometer van de normale plaats van tewerkstelling.
De voordelen binnen pijler 2 zijn integraal vrijgesteld bij de werkgever en de hieraan verbonden kosten integraal aftrekbaar voor de werkgever.
Tot slot wordt het resterende saldo in pijler 3 uitbetaald in cash. Op dit bedrag is een bijzondere werknemersbijdrage van 38,07% verschuldigd. Fiscaal geldt er een vrijstelling.
Het bedrag van het mobiliteitsbudget wordt op jaarbasis ter beschikking gesteld; in voorkomend geval pro rata bij toetreding doorheen het jaar. Wanneer op het einde van het kalenderjaar blijkt dat het mobiliteitsbudget ontoereikend was voor de gekozen voordelen, kwalificeert het overschrijdende gedeelte als een voordeel van alle aard, onderworpen aan gewone socialezekerheidsbijdragen en inkomstenbelastingen tenzij de werknemer de delta terugbetaalt met netto gelden. Een positief saldo is niet overdraagbaar naar het volgende kalenderjaar.
Wie moet het mobiliteitsbudget aanbieden?
Tot op heden behoort het al dan niet aanbieden van het mobiliteitsbudget tot de discretionaire bevoegdheid van de werkgever. De wetgever zal echter binnenkort voorzien in een gefaseerde verplichting tot het aanbieden van het mobiliteitsbudget vanaf 1 januari 2027. Werkgevers met minstens 50 werknemers zouden vanaf die datum verplicht zijn om het mobiliteitsbudget aan te bieden. Voor werkgevers met 15 tot 49 werknemers geldt deze verplichting pas vanaf 1 januari 2028.
Om het aantal werknemers te bepalen, zou rekening gehouden worden met de zogenaamde RSZ-belangrijkheidscodes. Dit stootte meteen al op kritiek van onder meer de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO. De RSZ-belangrijkheidscodes stemmen namelijk niet 1 op 1 overeen met de drempels die de wetgever voor ogen heeft voor het mobiliteitsbudget. De Raad pleit daarom voor een algemene vrijstelling van de verplichte invoering van het mobiliteitsbudget voor werkgevers met minder dan 50 werknemers.
Bijkomend geldt er ook de vereiste dat de werkgever gedurende minstens 36 maanden voorafgaand aan de invoering van het mobiliteitsbudget één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking heeft gesteld aan minstens één werknemer. Deze voorwaarde geldt echter niet voor nieuwe werkgevers.
Werkgevers die het mobiliteitsbudget zouden moeten aanbieden, zouden zoals op vandaag weliswaar over een ruime mate van vrijheid bij de concrete invulling van pijler 1 en pijler 2 beschikken. Zo zou er geen verplichting om pijler 1 aan te bieden komen en binnen pijler 2 zou het nog steeds volstaan om minstens 1 voordeel aan te bieden. Pijler 3 blijft verplicht.
Welke werknemers komen in aanmerking voor het mobiliteitsbudget?
Opdat werknemers zouden kunnen toetreden tot het mobiliteitsbudget, wordt vereist dat zij op basis van het loonbeleid (bedrijfswagenbeleid) van de werkgever, recht hebben op een bedrijfswagen. Dit is een ruimer begrip dan het nodig hebben van de bedrijfswagen voor de uitoefening van de functie.
Bijgevolg is een belangrijk aandachtspunt dat bedrijfswagens die via loonruil (salary sacrifice) of binnen een cafetariaplan worden toegekend, in principe uitgesloten zijn van het mobiliteitsbudget.
Bij de toetreding tot het mobiliteitsbudget moeten de werknemers hun bedrijfswagen en/of daarmee verbonden voordelen inruilen (waarna ze een 1e pijler bedrijfswagen kunnen kiezen mits de werkgever dit voordeel voorziet). Wie het recht op een bedrijfswagen niet had uitgeoefend en een alternatief voordeel had gekregen (bv: bruto cash car allowance), moet deze inleveren.
Het invoeren van het mobiliteitsbudget binnen een onderneming
Voor ondernemingen die het mobiliteitsbudget invoeren, gelden een aantal administratieve verplichtingen. Daarnaast is de nodige voorbereiding vereist.
Een allereerste stap is het op punt stellen van de car policy. Deze werkt namelijk op een aantal punten door in het mobiliteitsbudget, waaronder wat het verschuldigd zijn van persoonlijke bijdragen betreft, wanneer men de bedrijfswagen moet inleveren bij langdurige afwezigheden,…
Verder moet een werkgever bij de invoering van het mobiliteitsbudget zorgen voor de nodige documentatie, zoals een bijlage bij de arbeidsovereenkomst. Bijkomend is het aangewezen een mobiliteitsbudgetpolicy in te voeren.
Ook moet onder meer voorzien worden in een mobiliteitsbudgetrekening op basis waarvan de werknemers hun beschikbaar budget en bestedingen kunnen opvolgen.
De berekening van het mobiliteitsbudget
Het bedrag van het mobiliteitsbudget stemt overeen met de jaarlijkse bruto kost van de bedrijfswagen voor de werkgever, ook wel de Total Cost of Ownership (TCO) genoemd. Met andere woorden, het betreft de werkelijke totale kost van de bedrijfswagen voor de werkgever, met inbegrip van onder meer alle fiscale en parafiscale lasten maar ook de daarmee samenhangende kosten zoals voorzien in de car policy (bv: kosten m.b.t. de installatie van een laadpaal en de laadpaal zelf, tolgelden, …).
Het bedrag van het mobiliteitsbudget is onderworpen aan een minimumgrens en een dubbele maximumgrens. Zo mag het mobiliteitsbudget niet lager zijn dan 3.233 EUR en niet hoger dan 17.244 EUR (huidige, geïndexeerde bedragen), noch hoger dan één vijfde van het totale brutoloon van de betrokken werknemer. Het is mogelijk, maar niet verplicht voor de werkgever om het mobiliteitsbudget zelf jaarlijks te indexeren.
Om tegemoet te komen aan de moeilijkheden bij het bepalen van het mobiliteitsbudget, heeft de regering twee berekeningsformules voorzien.
Twee berekeningsmethoden sinds 1 januari 2024
Sinds 1 januari 2024 moeten werkgevers bij de berekening van de TCO kiezen tussen twee systemen: een berekening op basis van de werkelijke waarde of een berekening op basis van forfaitaire waarden.
Deze formules zijn van toepassing zowel bij het bepalen van het bedrag van het mobiliteitsbudget zelf als bij de aanrekening van de kosten van de milieuvriendelijke bedrijfswagen binnen pijler 1 op het budget. De werkgever kan ervoor kiezen om verschillende methodes te combineren, of om dezelfde methode in beide gevallen te gebruiken.
De gemaakte keuze is bindend voor een periode van drie jaar. In de praktijk maken de meeste werkgevers gebruik van de forfaitaire waarderingsmethode voor de berekening van het bedrag van het mobiliteitsbudget zelf. Voor de aanrekening van de kosten van een milieuvriendelijke bedrijfswagen binnen pijler 1 worden beide methodes gebruikt.
Methode 1: berekening op basis van de werkelijke waarde
Indien de werkgever kiest voor de methode op basis van de werkelijke waarde, moet de berekening worden gebaseerd op een exhaustieve lijst van kosten die de gemiddelde kosten over de voorbije vier jaar vertegenwoordigen van de bedrijfswagen die de werknemer inruilt. Deze lijst is terug te vinden in het bijhorende koninklijk besluit van 10 september 2023.
Verder mag alleen rekening worden gehouden met de kosten uit deze lijst voor zover die ook zijn opgenomen in de car policy. Met de kosten uit de exhaustieve lijst die niet in de car policy zijn opgenomen, hoeft dus geen rekening te worden gehouden.
Methode 2: berekening op basis van forfaitaire waarde
Wanneer de werkgever kiest voor de forfaitaire waarderingsmethode, bestaat de formule uit een ‘vaste’ en een ‘variabele’ component. De vaste component is gebaseerd op de bedrijfswagen zelf waarbij de berekening rekening houdt met het feit dat het gaat om een geleased voertuig of een door de werkgever aangekochte wagen. De variabele component wordt berekend op basis van het woon-werktraject van de individuele werknemer. Aandachtspunt is dat het bedrag van het mobiliteitsbudget wordt vastgeklikt bij toetreding en – behoudens enkele uitzonderingen – ongewijzigd blijft, terwijl de jaarlijkse aanrekening van de kosten een 1e pijler bedrijfswagen wel rekening houdt met bepaalde wijzigingen, waaronder een korter/langer woon-werktraject (verhuis). In sommige gevallen bestaat dus de kans dat men na verloop van tijd ontoereikend budget zou hebben om eenzelfde 1e pijler bedrijfswagen te financieren.
Aandachtspunten bij de berekening
Sinds 1 januari 2022 kan de werkgever ervoor kiezen om de kosten die voortvloeien uit het professioneel gebruik van de bedrijfswagen niet op te nemen in de berekeningsbasis van het mobiliteitsbudget, in principe op voorwaarde dat de werknemer afzonderlijk wordt vergoed voor zijn professionele verplaatsingen. In de praktijk wordt hiervan echter zelden gebruikgemaakt.
In principe moet het mobiliteitsbudget individueel worden bepaald voor elke werknemer. Onder bepaalde voorwaarden kan het mobiliteitsbudget evenwel worden vastgesteld op basis van een referentiewagen die wordt vastgesteld voor alle werknemers van dezelfde categorie.
Wanneer de werknemer een persoonlijke bijdrage verschuldigd zou zijn, drukt dit de TCO van de bedrijfswagen. Daarnaast worden ook de beheerskosten van het mobiliteitsbudget in mindering gebracht.
Ontslag en mobiliteitsbudget
Alhoewel het principe van kostenneutraliteit in hoofde van de werkgever (TCO-benadering) doorheen de jaren is afgezwakt, komt dit nog bijzonder sterk naar voor doorheen zowat alle aspecten van de wetgeving. Dit is echter niet zonder discussie op het vlak van de berekeningswijze van de ontslagvergoeding.
Volgens de FAQ (mobiliteitsbudget.be) moet namelijk rekening gehouden worden met het bedrag van het mobiliteitsbudget zelf. Naast het feit dat dit niet logisch is, lijkt dit ook in strijd met de tekst van de wet zelf. Een wetsconforme interpretatie lijkt eerder te zijn dat men rekening moet houden met de waarde van het privaat gebruik van de bedrijfswagen waar men recht op zou hebben conform de klassieke car policy.
Er circuleren ook standpunten van dezelfde instanties achter de FAQ die deze richting lijken in te gaan, maar deze zijn niet publiek gemaakt en bij de meest recente wijzigingen aan de FAQ werd dit evenmin aangepast.
Andere te verwachten wijzigingen vanaf 1 januari 2027
De kans is reëel, zeker gelet op een recent unaniem advies van de NAR, dat voor nieuwe mobiliteitsbudgetten slechts tot maximaal de helft van het budget aangewend zou kunnen worden voor de financiering van huisvesting.
Daarnaast dringt de NAR ook aan op een vereenvoudiging van het stelsel, onder meer wat de berekeningswijze betreft.
Tot slot zou ook voorzien worden dat werkgevers bepaalde werknemerscategorieën zouden kunnen verplichten een 1e pijler bedrijfswagen te kiezen als zij toetreden tot het mobiliteitsbudget. Hiertoe zouden objectieve criteria gehanteerd moeten worden (bv: wagen vereist voor de uitoefening van de functie). Tot op heden kan dit nog niet, met als gevolg dat werkgevers tot nu dergelijke categorieën integraal uitsluiten van de mogelijkheid tot toetreding tot het mobiliteitsbudget.
Aan de mogelijkheid te vereisen dat de bedrijfswagen einde lease moet zijn vooraleer men kan toetreden tot het mobiliteitsbudget, zou niet worden geraakt.
Conclusie
De aankomende verplichting vanaf 2027 komt razendsnel dichterbij. In afwachting van de definitieve wetteksten, raden we werkgevers alvast aan om hun car policy op punt te brengen, in kaart te brengen welke werknemers in aanmerking zouden komen voor het mobiliteitsbudget, welke berekeningsmethode aangewezen is en na te denken welke voordelen men wil aanbieden, gevolgd door het uitwerken van een mobiliteitsbudgetpolicy en bijlagen aan de arbeidsovereenkomst tot toetreding tot het mobiliteitsbudget.





