Het nieuws van de week kwam deze keer uit de Aldi, waar het personeel prompt aan het staken sloeg toen het management de neiging vertoonde om met de vakbonden te zullen onderhandelen over een zondagopening. Nochtans openen heel wat andere supermarkten al een tijdje op zondag, schaft een zopas goedgekeurd wetsvoorstel de verplichte wekelijkse sluiting af en mogen de winkels een uurtje later dicht (om 21u). Dat het plan toch op weerstand botste, werd door sommige experts verklaard door de schijnbare inconsistentie met Aldi’s reputatie van goede werkgever en door de onvrede bij een deel van het personeel dat er nu al personeelstekorten zouden zijn. Maar wat denk jij als hr-professional daar nu van?
Sommige kranten waren er als de kippen bij om de supermarktsector voor te stellen als een zero-sum-game waarin de winst die door de ene speler wordt gemaakt door een andere verloren wordt. Met andere woorden, als alle supermarkten op zondag openen zal niemand omzet winnen en zal iedereen hogere personeelskosten lijden. Maar dat klopt niet helemaal.
Ten eerste moet je de reikwijdte van het probleem breder opentrekken dan de supermarkten alleen. Wie op zondag in een supermarkt winkelt, koopt daar misschien vlees dat men anders op maandag bij de lokale slager had gekocht. En misschien bleek die supermarkt ook aantrekkelijker dan de nachtwinkel die je voorheen alleen vertrouwde om er iets in blik te kopen. Als de kleinhandel dus niet opent op zondag of zichzelf niet attractiever maakt, kan er zelfs met een algemene supermarktopening op zondag door alle supermarkten aan omzet worden gewonnen en geldt het zero-sum-game niet zo strikt als nu wordt voorgesteld.
Ten tweede is het niet onredelijk om te denken dat zondagse aankopen deels de toeloop op weekdagen verminderen, waardoor de hogere inzet van personeel op zondag alsnog gecompenseerd kan worden door een lagere personeelsbehoefte tijdens de werkweek. Werknemers offeren dan kwalitatieve vrije tijd op zondag op voor een hoger loon, maar die verdiensten worden vervolgens afgeroomd door minder werkuren tijdens de week op ogenblikken die minder kwalitatief zijn voor de vrije tijd (bijvoorbeeld op dinsdagmiddag terwijl al hun vrienden en familie werken).
Het zijn deze bedenkingen die ook voor hr enkele maatschappelijke vragen doen rijzen. Kleinere spelers hebben het nu bijvoorbeeld al vaak moeilijker om te concurreren op basis van de prijs, waardoor ze eerder moeten scoren op kwaliteit (dat brood van een warme bakker lekkerder is dan dat van de supermarkt), gebruiksgemak (dat men makkelijker bereikbaar is) en dienstverlening (dat het praatje of het advies van de warme bakker beter is dan dat van de supermarktkassierster). Een zondagopening van supermarkten vermindert het gebruiksgemak van kleinere spelers die zondag sluiten, waardoor het gevaar ontstaat dat finaal vooral grote spelers overblijven en lokaal ondernemerschap nog moeilijker wordt.
Ook op het vlak van dienstverlening heeft de sector het al enkele jaren moeilijk. Klanten lijken steeds minder te differentiëren in de vriendelijkheid, behulpzaamheid of vakbekwaamheid van het personeel tussen de winkels om het nog prioritair te stellen over het prijsverschil of om tot maandag te wachten. Daardoor verliest het personeel haar rol als competitief voordeel en komt het in een verzwakte onderhandelingspositie terecht. Zeker in een maatschappij die zondagsrust degradeert en het rekken van de werkweek normaliseert. Bedrijven kunnen zich dan een bedrijfseconomische visie op hr aanmeten, zich op het klant-is-koning-principe beroepen om de zondagopeningen door te drukken en naar het zero-sum-game wijzen om de loonkost te drukken. Dat kan bijvoorbeeld door aan de regering te vragen om het overloon in de weekends af te schaffen, verder en sneller te automatiseren (self-scans, thuisleveringen and collect-and-go’s) of te hergroeperen (minder winkels en efficiëntere bezetting).
Is er in zo’n markt nog ruimte voor maatschappelijk hr, voor de visie dat het personeelsbeleid van een bedrijf de maatschappelijke normen en waarden moet uitdragen of verbeteren? Dat een bedrijf nog kan zeggen: wij vonden de zondagsrust een goed idee en gaan ons inzetten om die opnieuw te verankeren? Ja, ongetwijfeld. Maar daarvoor zal men het werkgeversmerk nadrukkelijk moeten koppelen met het algemene merk. Zodat het personeel opnieuw een sterk gewicht krijgt naast prijs, kwaliteit en het gebruiksgemak en dat klanten opnieuw willen wachten tot maandag omdat ze voelen dat ze daarmee Melissa van achter de kassa een vrije zondag hebben bezorgd en haar job veiligstellen voor de toekomst. Omdat ze het nuttig vinden om dat aan haar te geven. Het werkgeversmerk benadrukt op die manier niet alleen wat werknemers aan hun klanten geven, maar maakt ook dat het voelbaar wordt wat klanten aan de werknemers teruggeven.
Laten we deze week dus maar gebruiken om eens na te denken over welke argumenten en strategieën wij in de strijd zouden gooien als ons management vraagt naar het (on)nut van een zondagopening. Misschien toont dat ons wel de weg naar wat écht belangrijk is voor ons hr-beleid.
Ralf Caers
===
In zijn wekelijkse rubriek ‘Chili con Caers’ geeft Ralf Caers smaak aan de HR-actualiteit en roept hij op tot kritische reflectie
.





