Volgens Nicky Dries is de toekomst een keuze
Tijdens het CHRO Diner in de kapel van Botanique Sanctuary in Antwerpen gingen HR-leiders in gesprek over de toekomst van werk. Het diner bouwt voort op de interviewreeks ‘De Toekomstkoffer’, waarin CHRO’s nadenken over de rol van HR in 2046. Gastspreker Nicky Dries, hoogleraar Organisatiegedrag aan KU Leuven en BI Norwegian Business School en oprichter van het Future of Work Lab, daagde het publiek uit om anders naar die toekomst te kijken. Haar boodschap: de toekomst van werk is geen voorspelling. Ze is een keuze.
Consultants publiceren rapporten over welke jobs zullen verdwijnen. Techbedrijven kondigen aan dat artificiële intelligentie binnenkort vrijwel alle taken kan uitvoeren. En de media nemen spectaculaire cijfers over automatisering over. Het discours is doorgaans hetzelfde: technologie bepaalt de toekomst en wij moeten ons aanpassen. Maar volgens Nicky Dries kijken we op de verkeerde manier naar de toekomst. “De toekomst bestaat niet,” zegt ze. “Ze ligt niet vast. Ze wordt gemaakt.”
Nicky Dries is hoogleraar Organisatiegedrag aan KU Leuven en BI Norwegian Business School en gespecialiseerd in de toekomst van werk. Ze staat aan het hoofd van het ‘Future of Work Lab’ in Leuven, waar onderzoekers organisaties helpen nadenken over mogelijke toekomstscenario’s rond technologie, economie en maatschappij. Met meer dan zestig internationale publicaties, bijdragen voor Harvard Business Review en Forbes, en een rol in de VRT-documentaire Het Digitale Dilemma, probeert ze vooral het debat over de toekomst van werk te verbreden én te democratiseren.
Tijdens haar talk voor de CHRO community in de kapel van Botanique Sanctuary in Antwerpen stelde ze dat het debat over de toekomst van werk vandaag te sterk wordt gedomineerd door voorspellingen en technologische scenario’s. Dat creëert het gevoel dat veranderingen onvermijdelijk zijn en dat organisaties zich enkel moeten aanpassen. “Maar de toekomst van werk is geen technologisch lot,” zegt ze. “Ze is het resultaat van keuzes.”
Voorbij de korte termijn
Veel organisaties geloven dat ze strategisch met de toekomst bezig zijn. In werkelijkheid blijven ze vaak steken in kortetermijndenken. Futurist Amy Webb beschrijft verschillende niveaus waarop organisaties naar de toekomst kijken. Op het eerste niveau bevinden zich tactische beslissingen: acties die één tot twee jaar vooruit kijken. Hier beschikken bedrijven over relatief veel data en kunnen ze vrij betrouwbare voorspellingen maken. Een stap verder ligt strategie, waar organisaties beslissingen nemen over investeringen, doelgroepen en marktontwikkelingen. Dit gaat meestal over een horizon van twee tot vijf jaar. Volgens Nicky stopt het toekomstdenken daar vaak. “Veel organisaties denken in termen van één tot twee jaar. Dat is tactiek. Strategie gaat misschien tot vijf jaar. Maar de toekomst begint eigenlijk pas daarna.”
Wanneer organisaties vijf tot tien jaar vooruit kijken, spreken we eerder over visie. Maar wanneer men verder dan tien jaar vooruit denkt, gaat het niet langer over strategie of visie. Dan gaat het over systeemverandering. Dan gaat het over vragen zoals: in wat voor maatschappij willen we werken? Welke rol speelt technologie daarin? En wie beslist dat? “De vraag is eigenlijk heel simpel,” zegt Nicky. “Wil je in een maatschappij leven die door anderen ontworpen is, of wil je zelf mee ontwerpen?” Voor bedrijven betekent dit dat toekomstdenken niet alleen gaat over technologie of businessmodellen, maar ook over invloed op maatschappelijke structuren.
Gevangen in het heden
Het probleem wordt nog scherper wanneer we kijken naar hoe organisaties hun aandacht verdelen. Veel bedrijven zeggen dat ze ongeveer zeventig procent van hun tijd besteden aan het heden, twintig procent aan de nabije toekomst en tien procent aan de verre toekomst. Volgens verschillende analyses is de realiteit nog veel extremer. In werkelijkheid gaat bijna alle energie naar het heden. Sommige waarnemers spreken zelfs van een verdeling van 97 procent voor het heden, drie procent voor de nabije toekomst en nul procent voor de verre toekomst. Daar komt nog een extra dimensie bij: een groot deel van de energie gaat naar wat Peter Hinssen de shit of yesterday noemt, problemen uit het verleden die nog moeten worden opgelost. Het resultaat is dat organisaties nauwelijks nadenken over hoe werk en organisaties er over dertig of veertig jaar kunnen uitzien.
Korte horizon
Wanneer mensen spreken over de toekomst van werk, bedoelen ze vaak iets anders dan ze denken. Een analyse van honderden mediaberichten over de toekomst van werk laat zien dat de ‘nabije toekomst’ meestal wordt gedefinieerd als de komende acht jaar. De meeste voorspellingen gaan dus over de periode tot ongeveer 2030 of 2034. De ‘verre toekomst’ wordt in dergelijke analyses vaak gedefinieerd als veertig jaar vooruit. Maar hoeveel organisaties denken echt veertig jaar vooruit? En hoeveel beslissingen worden vandaag genomen met dat soort tijdshorizon in gedachten?
De hype rond AI
Wanneer organisaties wel naar de toekomst kijken, gebeurt dat vaak via technologische voorspellingen. Boeken, rapporten en conferenties staan vol scenario’s over hoe artificiële intelligentie en automatisering werk zullen veranderen. Typische scenario’s voorspellen dat programmeurs vervangen worden door AI-systemen die zelf code schrijven. Leraren zouden verdwijnen omdat gepersonaliseerde AI-tutors het onderwijs overnemen. Juristen zouden vervangen worden door algoritmes die contracten schrijven en juridische argumentatie genereren. Ook dokters en chirurgen verschijnen regelmatig op lijsten van jobs die binnenkort geautomatiseerd worden. In sommige toekomstscenario’s verdwijnen zelfs volledige sectoren door automatisering. Maar volgens Nicky zijn dergelijke voorspellingen in essentie projecties. Ze vertellen ons vaak meer over de verwachtingen en belangen van het heden dan over de toekomst zelf.
De illusie van voorspellingen
Wie naar de geschiedenis kijkt, ziet dat voorspellingen over technologie opvallend vaak verkeerd blijken. Een van de bekendste voorbeelden uit recente tijden is de studie van Frey en Osborne uit 2013, waarin werd gesteld dat 47 procent van de jobs een hoog risico loopt om geautomatiseerd te worden. Dat cijfer werd wereldwijd overgenomen door media, beleidsmakers en consultants. Maar het getal kreeg een eigen leven dat losstaat van de oorspronkelijke nuance van het onderzoek. Andere studies kwamen met andere cijfers, waardoor een hele industrie ontstond rond het voorspellen van automatiseringspercentages. Volgens Nicky is dat een misleidende zoektocht naar zekerheid. “Dat soort cijfers creëert een gevoel van zekerheid die eigenlijk niet bestaat.”
Historische voorbeelden tonen hoe moeilijk het is om technologische ontwikkelingen correct te voorspellen. Begin twintigste eeuw beweerden experts dat vliegmachines onmogelijk waren. Later werd het internet door sommigen afgedaan als een voorbijgaande hype. De geschiedenis toont dus twee dingen tegelijk: technologie verandert de wereld ingrijpend, maar onze voorspellingen over hoe dat precies gebeurt zijn doorgaans fout.
Optimisten, pessimisten en sceptici
In het debat over de toekomst van werk ziet Nicky drie dominante perspectieven. Optimisten geloven dat technologie menselijke arbeid zal versterken. Machines nemen repetitieve taken over, waardoor mensen zich kunnen richten op creativiteit, innovatie en betekenisvol werk; pessimisten vrezen dat automatisering massale werkloosheid en ongelijkheid zal veroorzaken en sceptici geloven dat de impact van technologie vaak overdreven wordt en dat de toekomst grotendeels op het heden zal lijken. “Alle drie hebben ze argumenten,” zegt Dries. “Maar ze vertrekken allemaal van dezelfde veronderstelling: dat de toekomst voorspelbaar is.”
We bepaalt de toekomst?
Voorspellingen beschrijven niet alleen de toekomst, ze kunnen ze ook beïnvloeden. “Als je zegt dat 47 procent van de jobs gaat verdwijnen, dan begint iedereen zich daarop te organiseren,” legt Dries uit. “Bedrijven investeren anders. Werknemers maken andere keuzes. Beleidsmakers reageren.” Voorspellingen creëren zo mee de toekomst die ze proberen te beschrijven en krijgen daardoor vaak ook een politieke functie.
Tegelijk wordt onze verbeelding over de toekomst van werk sterk beïnvloed door technologiebedrijven. “We horen voortdurend verhalen uit Silicon Valley over hoe AI alles gaat veranderen,” zegt Dries. “Dat zijn heel krachtige narratieven.” Technologie wordt in die verhalen voorgesteld als een onvermijdelijke kracht die vooruitgang brengt, terwijl regulering vaak als een obstakel verschijnt. Het gevolg is een vorm van monopolisering van onze collectieve verbeelding: de toekomst van werk wordt voorgesteld als een technologisch project, terwijl ze in werkelijkheid het resultaat is van maatschappelijke keuzes.
Wie is eigenlijk verantwoordelijk?
Nieuwe technologie roept ook nieuwe vragen op over verantwoordelijkheid. Technologiebedrijven stellen vaak dat hun producten neutraal zijn. Zij ontwikkelen technologie, maar de manier waarop die wordt gebruikt ligt volgens hen bij bedrijven, overheden of gebruikers. Tegelijk hebben politici korte tijdshorizonten door verkiezingscycli. Bedrijven verwachten soms dat regelgeving problemen oplost, maar zijn niet altijd enthousiast over nieuwe regels. Zo ontstaat er een verantwoordelijkheidskloof waarin iedereen naar elkaar kijkt.
De kracht van verbeelding
Volgens Nicky is een van de grootste obstakels voor toekomstdenken het gevoel dat individuen en organisaties geen invloed hebben op de toekomst. Maar de geschiedenis toont het tegenovergestelde. Sociale bewegingen, werknemersorganisaties en collectieve actie hebben doorheen de geschiedenis belangrijke veranderingen afgedwongen. Om dat mogelijk te maken is verbeelding cruciaal. “In ons onderzoek werken we daarom met kunst en sciencefiction,” zegt Dries. “Dat helpt om anders te denken.”
Dystopische films en verhalen tonen vaak extreme scenario’s over de toekomst van werk en technologie. Sommige gaan over hyperbureaucratische staten, andere over genetische selectie of extreme ongelijkheid. Op het eerste gezicht lijken deze verhalen pessimistisch. Maar ze maken maatschappelijke vragen zichtbaar die vandaag moeilijk bespreekbaar zijn: ongelijkheid, migratie, controle door technologie of de rol van bedrijven in de samenleving. Veel van deze verhalen eindigen bovendien met een open einde. Ze tonen een problematische wereld, maar laten de vraag open hoe die wereld kan veranderen. “Het publiek moet zelf nadenken: hoe willen wij dat dit verhaal afloopt?”
De toekomst is een keuze
De belangrijkste conclusie van de avond is dat de toekomst van werk geen technologisch lot is, maar dat ze gemaakt wordt door keuzes die bedrijven, beleidsmakers, werknemers en burgers maken. Welke technologie we ontwikkelen. Hoe we die technologie gebruiken. Welke regels we invoeren. Hoe we arbeid organiseren. Hoe we waarde verdelen. Al deze keuzes bepalen samen welke toekomst werkelijkheid wordt.
En HR heeft een sleutelrol
“HR zit op een plek waar technologie, organisatie en mensen samenkomen,” besluit Nicky. “Dat betekent dat HR ook een rol kan spelen in het vormgeven van de toekomst van werk.” Dat begint niet met de vraag wat er gaat gebeuren maar wat we willen dat er gebeurt.























