Ralf Caers ziet een risico op shrinkflation en vraagt zich af waar het werk terechtkomt als gezinnen minder uren huishoudhulp inschakelen.
Deze week besloot de Vlaamse regering om de dienstencheques wat exclusiever te maken. Je kan er binnenkort minder kopen (nog 300 cheques per jaar in plaats van 500) en ze worden ook duurder (12 euro voor de eerste 175 cheques in plaats van 10 euro voor de eerste 400). De media vonden ergernis in de sector van de huishoudhulpen, maar in de bredere maatschappij leken de reacties te mak om er dagen over door te bomen. Mogelijk lag dat aan de economen die er als de kippen bij waren om uit te leggen dat de kostprijs van de cheques achtergebleven was op de inflatie en dus sowieso al 12 euro had moeten kosten, en dat mensen zonder poetshulp niet hoeven mee te betalen omdat jij er wel een hebt. Maar wat denk jij als hr-professional daar nu van?
Hoe elastisch is de prijs?
Het debat wordt vooralsnog bemoeilijkt door de vraagtekens die bij de prijselasticiteit van de dienstencheques worden geplaatst. Wie wekelijks 5 uur poetshulp geniet, betaalt daar binnenkort maandelijks zo’n 46 euro extra voor. De sterke schouders halen daar mogelijk hun schouders voor op, waardoor de meerprijs niets verandert aan de samenwerking met de poetshulp. De prijs is dan onelastisch en de overheid slaagt erin om het begrotingstekort terug te dringen zonder de marktwerking te verstoren. Maar er zijn twijfels bij de maatschappelijke breedte van die prijselasticiteit. De Tijd becijferde bijvoorbeeld dat het aantal gebruikers van de dienstencheques in 2025 al met 22.000 terugviel toen het fiscaal voordeel ervan werd geschrapt. Bovendien is ook het aantal arbeidsplaatsen in de sector over de voorbije kwartalen gedaald naar het niveau van 2018. Dat doet vermoeden dat er weldegelijk prijselasticiteit is in de bredere maatschappij, waardoor er meteen ook op de perverse effecten van de hervorming moet worden gelet.
De kunst van ontzorgen
Werkgevers mogen zeker bezorgd zijn over hoe hun werknemers op de hervorming zullen reageren, omdat die haaks staat op de ontzorgingsfilosofie. Wie van daaruit naar arbeid kijkt, gelooft dat werknemers productiever en mentaal gezonder zullen zijn als men de obstakels wegneemt die de weg naar het doel bemoeilijken. Dat gebeurt op de werkvloer bijvoorbeeld door voortdurend vooruit te kijken, op te merken waar een werknemer tegenaan zou kunnen lopen en tijdig actie te ondernemen. Hoe meer van die obstakels we kunnen ruimen, hoe meer de weg naar het doel een snelweg wordt voor de werknemer. De vaststelling dat heel wat burn-outs niet alleen wortels hebben in de werksituatie maar ook door de privécontext gedreven worden, heeft die ontzorgingsfilosofie ook buiten de werkuren doen doortrekken. Bijvoorbeeld door het stimuleren van sportactiviteiten of voldoende rustmomenten.
Voor wie niet geniet van poetsen, neemt een huishoudhulp bij tweeverdieners een belastende taak uit handen. Die vrijgekomen tijd kan dan worden gebruikt om makkelijker de werkdoelen te behalen door meer te werken of door te rusten en daardoor meer ontspannen aan de volgende dag te beginnen. Beide effecten ondersteunen de productiviteit en zouden verloren gaan als de huishoudhulp volledig wordt geschrapt. Vanuit de ontzorgingsfilosofie lijkt de werkgever dus een stuk beter af als werknemers de meerprijs voor de dienstencheques gewoon willen betalen.
Niet beoogd, toch geraakt
Het is ook die ontzorgingsfilosofie die ons anders doet kijken naar het voorstel om de tweeverdieners bij de hervorming van de dienstencheques te ontzien. Zo’n voorstel veronderstelt dat bijvoorbeeld werkzoekenden en gepensioneerden voldoende tijd hebben om zelf hun huis te poetsen en lijkt ook tegemoet te komen aan het objectief dat werken moet lonen en niet werken niet. Maar dat beeld verandert natuurlijk wanneer ouderen de dienstencheques gebruiken voor hun huishoudhulp om hun werkende kinderen niet te belasten. De ontzorgingsfilosofie waarschuwt er in dat geval voor dat als werknemers mantelzorg moeten opnemen om de poetshulp van hun zorgbehoevende ouders te vervangen, er eerder meer dan minder zorgen ontstaan voor de werknemer. Voor de overheid en voor werkgevers is het vandaag dan ook meer dan ooit belangrijk dat maatregelen worden afgewogen tegenover de impact die ze hebben op de werkende klasse, ook al zijn de maatregelen initieel niet op die werkende klasse gericht.
Minder krijgen, evenveel betalen
Tussen het betalen van de meerprijs enerzijds en het annuleren van alle poetshulp anderzijds, ligt echter nog een belangrijk compromis: shrinkflation. Daarbij behoudt men de totale kostprijs maar laat men het aantal werkuren dalen. Daarmee lijden de poetshulpen echter een dubbel verlies. Ten eerste moeten zij op zoek naar bijkomende werkuren, terwijl het aantal dienstenchequegebruikers net lijkt te dalen. Dat leidt naar een nieuwe shake-out van de sector: nog meer poetshulpen moeten de markt verlaten om de markt leefbaar te houden voor zij die blijven.
Ten tweede is het waarschijnlijk dat de dienstenchequegebruikers de gevolgen van de shrinkflation willen minimaliseren door lichtere taken zelf uit te voeren en zwaardere taken uit te besteden aan de poetshulp. De poetshulp kan daardoor minder afwisselen tussen zwaardere en lichtere taken om het werk minder belastend te maken en de uren die bij een extra klant worden gedaan zullen veelal ook zwaardere taken omvatten. Of hoe mogelijk iedereen de dupe van de hervorming wordt.
Laten we deze week dus maar gebruiken om eens na te denken over hoe de ontzorgingsfilosofie doorheen onze hr-praktijken sluipt en of we tegen shrinkflation gewapend zijn. Want wie wil er nu werknemers die minder arbeid bieden voor dezelfde prijs?
Ralf Caers
===
In zijn wekelijkse rubriek ‘Chili con Caers’ geeft Ralf Caers smaak aan de HR-actualiteit en roept hij op tot kritische reflectie





