Op 1 mei vieren we de Dag van de Arbeid. Historisch is dat geen feestdag van productiviteit of economische groei, maar een herdenkingsdag van sociale strijd en verworven rechten. Arbeid werd bevochten als recht op waardig werk, als hefboom voor emancipatie en sociale bescherming. Toch lijkt die betekenis vandaag steeds verder te verschuiven naar druk tot misschien zelfs onderdrukking. Mensen lijken vooral terug ten dienste te staan van de noden van de arbeidsmarkt en economische productie. Voor een kwetsbare groep mensen, zoals kortgeschoolde vrouwen, verschuift het recht op arbeid naar een plicht tot (voltijds) werken. Ze worden geacht aan de norm te voldoen, vaak zonder dat de voorwaarden daarvoor aanwezig zijn. LEVL en het Netwerk tegen Armoede zetten op 1 mei waardig en stabiel werk voor iedereen terug bovenaan de agenda.
De Vlaamse arbeidsmarkt toont een paradox
‘Werk, werk, werk’ is het mantra. Hoewel het aandeel kortgeschoolden in de bevolking tussen 25 en 64 jaar de afgelopen jaren sterk is gedaald, blijft hun positie op de arbeidsmarkt uiterst kwetsbaar. Zowel vrouw zijn als kortgeschoold zijn is vandaag een structureel nadelige combinatie. De kloof tussen mannen en vrouwen die een betaalde job hebben, wordt groter naarmate het scholingsniveau daalt. Slechts 42.8% van de kortgeschoolde vrouwen is aan het werk, bij mannen is dat 63% (bron Trendrapport 2025 Kwetsbare groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt). Dat zijn geen toevallige cijfers; dat zijn structurele ongelijkheden, die niet louter over diploma’s gaan.
In het dominante discours verschuift de focus steeds meer van rechten naar plichten op de arbeidsmarkt. Wie niet werkt, moet worden ‘geactiveerd’, ‘gemotiveerd’ of ‘bijgestuurd’. Werkloosheid of niet-beroepsactiviteit wordt te vaak voorgesteld als een individuele tekortkoming, los van context, levensloop of structurele drempels. Het is niet allemaal ‘eigen schuld, dikke bult’.
Arbeid is een grondrecht
Arbeid is geen morele plicht. Het is een grondrecht verankerd in internationale verdragen, art 23 van de Belgische Grondwet en in onze sociale zekerheid. Voor kortgeschoolde vrouwen zijn cruciale voorwaarden nog te weinig vervuld, zoals een stabiel vervangingsinkomen boven de armoedegrens, een betaalbare woning, kinderopvang, openbaar vervoer en werkuren die de combi werk/gezin mogelijk maken. Kortgeschoolde jobs zijn al te vaak ook fysiek erg belastend, denk maar aan poetsen of in de verkoop staan. Kortgeschoolde vrouwen met een arbeidswens botsen op een arbeidsmarkt die selecteert op flexibiliteit, beschikbaarheid en formele kwalificaties. Kansarmoede, gebrek aan netwerk, zorgtaken, precaire contracten, discriminatie en beperkte mobiliteit worden daarbij systematisch genegeerd.
Meervoudige uitsluitingsmechanismen blijven onzichtbaar. De kwetsbaarheid van kortgeschoolde vrouwen staat niet op zichzelf. Ze wordt versterkt wanneer andere factoren meespelen.
Vrouwen met een migratieachtergrond, die kortgeschoold zijn, bevinden zich in een gelijkaardige risicopositie. Midden- en kortgeschoolde vrouwen met een migratieachtergrond worden door een gebrek aan kwalificaties en buitenlandse diploma’s ook vaak gezien en behandeld als kortgeschoold.
“Ik ben alleenstaande mama met 3 kinderen, ik woon sinds mijn scheiding bij mijn ouders. Beiden zijn ziek, ik zorg ook voor mijn ouders. Ons huis is heel klein, ik slaap met mijn drie kindjes op één kamer. Ik wil graag verhuizen en zelf iets huren, maar dat kan ik op dit moment niet financieel en ik vind niets betaalbaars. Ik wil graag werken en financieel onafhankelijk zijn, maar als ik werk, gaat de uitkering van mijn ouders naar beneden.”
Arbeidsmarktbeleid vraagt om rechtvaardige structuren
Arbeidsmarktbeleid vraagt om rechtvaardige structuren die bijdragen aan de emancipatie van alle werknemers en mensen. Dat betekent erkennen dat niet iedereen vertrekt vanuit dezelfde positie, en dat gelijk beleid in een ongelijke context net ongelijkheid reproduceert. De bijhorende maatregelen zijn onderhevig aan Mattheüseffecten, waarbij kwetsbare vrouwen weinig baat hebben. Denk maar aan de fiscale voordelen, zoals een bedrijfswagen, of het bredere mobiliteitsbudget in hogergeschoolde sectoren.
We moeten vervolgens de rol van onbetaalde arbeid durven benoemen. Volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2023) keldert de werkzaamheidsgraad van moeders naarmate het gezin groeit van 76% naar 54% terwijl dat bij vaders nauwelijks effect heeft. Dat legt het structurele gebrek aan een haalbare combinatie tussen werk en zorg pijnlijk bloot. Vrouwen nemen het leeuwendeel van de onbetaalde zorg op zich. Bij kortgeschoolde vrouwen is dat een structurele barrière. Bij hen wordt vaak enerzijds een nog hogere flexibiliteit verwacht en zij hebben anderzijds niet de financiële middelen om zorg uit te besteden.
Als we arbeid ernstig willen nemen als recht, en dus de arbeidskansen vergroten van kortgeschoolde vrouwen met of zonder een migratieachtergrond, dan moeten we die ook rechtvaardig organiseren. Dat vergt keuzes, investeringen en politieke moed. Dat vraagt om werkbaar werk met een voldoende goede verloning waarvan ook alleenstaande moeders kunnen voldoen in de basisbehoeften van zichzelf en hun kinderen. Maak werk combineerbaar met zorgtaken voor iedereen, niet enkel voor zij die al sterk staan op de arbeidsmarkt. Bestrijd discriminatie structureel en afdwingbaar, investeer in tewerkstellingstrajecten, die afstappen van stereotypering en bias. Arbeid als recht betekent ook recht op stabiliteit, loon naar werk en bescherming tegen armoede.
1 mei als moment van heroriëntatie
De Dag van de Arbeid nodigt uit tot meer dan symboliek. Het is een moment om kritisch te reflecteren over wat arbeid vandaag betekent, en voor wie. Zolang een grote groep vrouwen structureel wordt uitgesloten van duurzaam werk, kunnen we niet spreken over waardig werk voor iedereen. De Dag van de Arbeid is pas echt een feestdag wanneer arbeid voor iedereen een bron van waardigheid en stabiliteit is.





