fbpx

Wat kan HR leren van een wielermanager?

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Vlamingen zijn verknocht aan het hard labeur van wielrenners, die gestriemd door de wind over nukkige kasseien dokkeren en de bitsige bulten van het elders zo vlakke land bedwingen. Zelfs rond de topwedstrijden met hun uitpuilende VIP-tenten bouwen de fans een volkskermis. Als Pieter Bruegel nu leefde, zou hij kromgebogen coureurs en zich schor schreeuwende supporters schilderen. Door de coronacrisis blijven we voorlopig verstoken van die expressieve taferelen, maar dat levert tijd op om een en ander op te steken van deze fascinerende wereld. Daarom spraken we met Christophe Sercu, manager van het profteam Sport Vlaanderen – Baloise, dat als opleidingsploeg een heel aparte plaats inneemt in het peloton.

Sport Vlaanderen – Baloise Pro Cycling Team zoekt jonge talenten, leidt hen op in de wielersport en noemt het een succes wanneer deze renners naar een andere profploeg, bij voorkeur naar een topteam, doorstromen. In bedrijfstermen klinkt dat bizar: anderen plukken de vruchten van jouw investeringen…

Christophe Sercu “We zijn niet alleen atypisch voor het gewone bedrijfsleven, we zijn ook atypisch in de professionele wielersport. Een profteam trekt renners aan om zoveel mogelijk wedstrijden te winnen en zoveel mogelijk publiciteit te verwerven, terwijl wij ons concentreren op talentvolle Vlaamse beloften met de bedoeling hen op een ideale manier te laten kennismaken met het professionele wielrennen en hen voldoende bagage mee te geven om het te kunnen waarmaken in andere teams.

Terwijl de andere ploegen proberen om hun sterkhouders voor langere termijn aan zich te binden, willen wij dat ze naar een andere ploeg overstappen als ze daar klaar voor zijn.”

Het opmerkelijke is dat het team gewoon meedraait in het professionele wielrennen, waar succes verwacht wordt. Sluipt er dan toch geen frustratie binnen wanneer je zelf nauwelijks overwinningen boekt?

ChS “Nee, want je kan niet op twee doelen mikken: je kan geen project als het onze hebben als je afgerekend wordt op het aantal overwinningen en publiciteit. Je hebt partners en sponsors nodig die meedenken in hetzelfde verhaal. Dat lukt wonderwel. De Vlaamse overheid zorgt voor ongeveer de helft van het budget, de andere helft komt van privésponsors, waarbij opvalt dat ook zij zich al zeer lang verbinden aan het team. Ook dat is uitzonderlijk. We kunnen dus spreken van een geslaagde publiek-private samenwerking. De privésponsors verbinden zich vanuit dezelfde opleidingsfilosofie. Ook het maatschappelijke karakter speelt mee.”

Dat bedoelde je dus wanneer je onlangs opmerkte: “Wij werken op lange termijn in een wereld die beheerst wordt door de korte termijn.”

ChS “Duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen spelen zeker een rol voor onze sponsors. Tegelijkertijd verwijs ik met die opmerking naar het zwakke businessmodel van de wielersport, waar 2 jaar een eeuwigheid betekent. Er zijn weinig teams die weten of ze binnen 3 jaar nog bestaan – ook zonder COVID-19. Eigenlijk geldt dat ook voor ons, maar onze lange samenwerking met dezelfde partners geeft ons toch wat meer vertrouwen in continuïteit.”

Vraag is wel of de grote teams niet het jonge toptalent wegsnoepen. Knallers als Remco Evenepoel beginnen al bij een WorldTour team, het hoogste niveau in het wielrennen. Anders gezegd, worstelen jullie meer en meer met rekruteringsproblemen?

ChS “De absolute toppers maken de overstap van belofte naar profsport relatief eenvoudig. Dat was ook in het verleden het geval. Tom Boonen en Greg Van Avermaet zijn ook niet bij ons begonnen. Voor de overgrote meerderheid is het evenwel een grote meerwaarde om het profpeloton binnen te treden via ons. Voor sommigen is een jaar al voldoende, denk aan Sep Vanmarcke en Oliver Naesen, voor anderen duurt het wat langer. Voor de meesten is het een stap die niet overslagen zou mogen worden. Nog te vaak trekt een jonge renner meteen naar een WorldTour team, waar hij na 2 jaar ontgoocheld een stap moet terugzetten naar een klein team of zelfs stopt. Een stap terugzetten en dan opnieuw naar het hoogste niveau doorstoten, zie je niet vaak in het wielrennen.

Het probleem is dat die jongeren zichzelf niet kunnen ontdekken in zo’n topteam. Bij ons krijgen ze wel vaak een kans, hoeven ze niet 95% van hun tijd op te offeren aan knechtenwerk. Het is belangrijk om als jonge prof je grenzen te kunnen zoeken, zowel voor jezelf, als om te tonen wat je in je mars hebt. Als je dan bij ons weggaat, kom je op een heel andere manier in een topploeg. Zowel sportief als financieel maakt dat een groot verschil.”

Hoe belangrijk is mentale begeleiding?

ChS “Bijzonder belangrijk, presteren op hoog niveau moet je ook mentaal aankunnen. Je moet leren winnen en verliezen, je moet ook durven winnen en verliezen. Daar gaat heel wat aandacht naartoe. Bij ons mag je ook fouten maken, daarop word je niet meteen afgerekend. Je bent hier in een vertrouwde omgeving met een vrijwel vaste omkadering. De sfeer is niet zo hyperconcurrentieel als in andere teams. We zijn streng maar begripvol. Daar hebben jonge mensen nood aan, vooral in een periode dat het wat minder gaat.”

Is het al bij al makkelijk werven in de grote vijver van koersende jongeren?

ChS “Die vijver is helemaal niet zo groot. Doorgaans dienen er zich niet eens tien profrijpe renners aan per jaar. We hebben normaal plaats voor een viertal nieuwkomers. Vanzelfsprekend selecteren we op het atletische potentieel en de progressiemarge, maar we houden evengoed rekening met karakter en persoonlijkheid. Men zegt weleens dat je een ‘harde kop’ moet hebben om het te maken als wielrenner, maar je kan ook te veel ‘persoonlijkheid’ hebben en in geen enkel team passen… We spreken met de omgeving, met hun coaches bij de jeugd. Nee, persoonlijkheidstesten zetten we niet in, met tests beperken we ons tot de sportprestaties.”

Met wat voor type bedrijf kan je het team vergelijken?

ChS “Je kan ons beter vergelijken met een onderwijsinstelling, al zijn we evengoed een gewoon bedrijf dat moet overleven. We geven opvoeding en opleiding, maar we ondergaan ook de wetten van de economie. Het is een unieke combinatie met als ‘product’ onze renners.”

Dat talent begeleiden jullie tijdens de coronacrisis nu ‘op afstand’?

ChS “Ja, onze coaches hebben schema’s opgesteld en dat lukt wel. Onze renners krijgen hun loon, we vinden niet dat ze werkloos zijn. Je hebt wel meer motivatiewerk, want het blijft streven naar een doel dat nog wat onzeker blijft. Gelukkig hebben we een team van begeleiders met de nodige ervaring. Ook dat typeert onze ploeg: het team van sportbestuurders, verzorgers en mecaniciens is zeer stabiel. We werken bijvoorbeeld al bijzonder lang met Walter Planckaert als ploegleider. Meer ervaring vind je niet. Af en toe heb je uiteraard ook iemand nieuw nodig, het is altijd goed om iemand binnen te krijgen die eens met andere ogen naar de werking kijkt.”

Als telg van een koersende vader en grootvader ben je actief in dezelfde wereld. Je vader Patrick was ook de centrale figuur in de Gentse Zesdaagse, eerst als renner, later in de organisatie. Had je het moeilijk om je eigen voornaam te ‘maken’?

ChS “Dat heeft me nooit beziggehouden, ik heb economie gestudeerd en die opleiding kan ik hier inzetten. Ik heb trouwens zelf nooit gekoerst en vind dat soms een voordeel in een wereld waarin pakweg 98% wel actief is geweest als wielrenner. Je bekijkt het af en toe toch anders. Ik zal wel nooit plaatsnemen achter het stuur van de volgwagen, de koerstactiek laat ik over aan de experts die daarin meer terreinkennis hebben. Al moet je zelf wel voldoende inzicht hebben om je niets te laten wijsmaken…”

 

 

 

 

Gerelateerde artikels.

Schrijf je in op de #ZigZagHR-nieuwsbrief