Ondanks de nieuwe pensioenhervorming van de federale regering willen meer landgenoten voor de wettelijke pensioenleeftijd afzwaaien dan twee jaar geleden. 92% van de werknemers geeft op dit moment aan dat ze voor hun 66e willen stoppen, als ze vrij zouden kunnen kiezen. Twee jaar geleden lag dat percentage een stuk lager (80,5%) voor de toenmalige wettelijke pensioenleeftijd van 65. Opvallend: de helft van (51%) twintigers en dertigers wil zelfs voor hun 60e de arbeidsmarkt verlaten. Tegelijkertijd zijn werknemers realistisch: slechts 44% verwacht effectief voor de 66e verjaardag te kunnen stoppen. Dat blijkt uit het pensioenonderzoek van hr-expert Acerta bij meer dan 2.000 werknemers in de privésector.
De nieuwe pensioenmaatregelen van de federale regering die grotendeels in 2027 in voege treden, met de invoering van een bonus-malussysteem, deden de voorbije weken opnieuw heel wat stof opwaaien. Ook het Federaal Planbureau plaatste er onlangs nog kanttekeningen bij. De maatregelen moeten werknemers stimuleren om minder op vervroegd pensioen te gaan of langer dan hun wettelijke pensioenleeftijd door te werken. Die wettelijke pensioenleeftijd bedraagt 66 jaar sinds 1 januari 2025 en stijgt naar 67 jaar vanaf 2030. Maar zien werknemers dat wel zitten? Wanneer willen zij met pensioen? Om meteen met de deur in huis te vallen: de overgrote meerderheid van de bevraagde werknemers wil vóór de wettelijke pensioenleeftijd (66 jaar) afzwaaien, zo blijkt uit het pensioenonderzoek van Acerta. 92,1% wil maximaal werken tot 65 jaar. 41% onder hen geeft zelfs aan dat ze zouden willen stoppen op de leeftijd van 59 jaar of vroeger. Slechts 7,9% geeft aan om pas op 66 of later af te willen zwaaien.
Opvallend: twee jaar geleden, toen de wettelijke pensioenleeftijd 65 was, wilde ‘maar’ 80,5% vroeger dan die leeftijd stoppen met werken. Ondanks de nieuwe pensioenmaatregelen willen vandaag de dag dus meer mensen vroeger met pensioen dan wettelijk voorzien in vergelijking met twee jaar geleden.
Verwachting niet gelijk aan realiteit
Tot zover de leeftijden waarop werknemers wensen met pensioen te gaan. Werknemers beseffen dat de realiteit hen zal dwingen om later met pensioen te gaan. Terwijl 92,1% vroeger wil stoppen dan wettelijk voorzien, verwachten slechts iets meer dan vier op de tien (43,9%) mensen dat dat effectief ook zal kunnen. Bijna zes op de tien (56,1%) geven aan dat ze naar verwachting minstens tot 66 aan de slag zullen blijven.
“Het enthousiasme om langer te werken, is niet toegenomen de voorbije jaren, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd wel verhoogd is en de pensioenbonus mensen wil motiveren om langer te werken. Vorig jaar is de wettelijke pensioenleeftijd al gestegen naar 66 jaar. Vanaf 2030 bedraagt de wettelijke pensioenleeftijd 67 jaar. De impact van de aankomende pensioenhervormingen, waarbij ook de toegang tot het vervroegd pensioen strikter wordt, zal ertoe leiden dat sommige werknemers de komende jaren langer moeten werken. We raden werkgevers aan aandacht te hebben voor de motivatie bij werknemers om de loopbaan te verlengen. Werkbaar werk is dé sleutel: als jobs voldoende ruimte bieden voor autonomie, haalbaarheid en flexibiliteit, dan kan langer werken echt een wenselijke keuze worden. Dat kan bijvoorbeeld in de praktijk gebracht worden door aangepast werk te voorzien, een nieuwe jobinvulling of het aanbieden van een andere functie in hetzelfde of een ander bedrijf, via het delen van personeel.”
Mieke Bruyninckx, juridische experte bij Acerta
Vooral jongere medewerkers willen vroeg stoppen
De voorkeuren om vroeger af te zwaaien verschillen naargelang de leeftijd. Opvallend genoeg: naarmate de leeftijd van de bevraagde werknemers toeneemt, groeit het enthousiasme om langer te werken. Maar liefst 93% van de 18- tot 35-jarigen wil tot maximum 65 jaar werken. Iets meer dan de helft (51%) wil zelfs al op 59 jaar of eerder stoppen. Bij de 55-plussers zijn de cijfers iets beter: 86,2% wil tot maximum 65 jaar aan de slag zijn.
Wat een verschil met de leeftijd waarop jongere medewerkers denken daadwerkelijk met pensioen te gaan. Terwijl amper 7% van de 18- tot 35-jarigen en 5,7% van de 36- tot 45-jarigen tot 66 jaar of langer wil werken, denken respectievelijk 61,5% en 65,6% onder hen langer dan hun 66ste te moeten doorgaan. Velen vrezen dus de tering naar de nering te moeten zetten.
Enkel pensioenbonus kan op bijval rekenen
Dat werknemers in bepaalde gevallen pensioen zullen verliezen als ze vervroegd met pensioen gaan (malus), kan op weinig bijval rekenen. Liefst 7 op de 10 werknemers (70,3%) is eerder tot sterk tegen de pensioenmalus. Het aantal tegenstanders is het grootst bij 55-plussers. Bijna 75,1% van hen is eerder tot sterk tegen de malus gekant. De sterkste tegenkanting zien we trouwens bij arbeiders en vrouwen. Bijna 8 op de 10 arbeiders (79,8%) en 3 op de 4 vrouwen (74%) is eerder tot sterk tegen.
Het bonussysteem, waarbij langer werken dan de wettelijke pensioenleeftijd extra pensioen oplevert, kan op meer applaus rekenen: bijna 2 op de 3 (62%) zijn (sterk) voor de maatregel. Dat enthousiasme neemt wel af naarmate de werknemer dichter zijn pensioen nadert: bij de 18- tot 35-jarigen is nog 66,2% eerder tot sterk voor. Bij de 55-plussers krimpt dat enthousiasme naar 57%.
Tot slot nog een opvallende vaststelling: liefst 52,6% overweegt niet om de loopbaan te verlengen en zo de pensioenbonus te bekomen. 39,7% overweegt het misschien. Het aantal werknemers dat niet langer wil doorwerken voor de pensioenbonus neemt toe naarmate het pensioen nadert: van de 18- tot 35-jarigen zegt 35,3% neen, van de 55-plussers wil 7 op de 10 (69,9%) niet langer werken om de pensioenbonus te bekomen.





