Wanneer toekomst plots een leeftijd krijgt

Hoe potentieelbeoordelingen onbedoeld de loopbaan van 45-plussers blokkeren

We kennen het glazen plafond voor vrouwen. Minder besproken, maar even hardnekkig is het zilveren plafond voor 45-plussers. Organisatiepsycholoog Giverny De Boeck toont aan hoe potentieelbeoordelingen de doorgroei van ervaren medewerkers onbedoeld afremmen. Wat bedoeld is als een rationeel instrument om talent te ontwikkelen, blijkt in de praktijk een hefboom voor uitsluiting.

Twee plafonds

De afgelopen jaren is inclusie een steeds belangrijker thema geworden binnen HR. Begrippen zoals het glazen plafond zijn ondertussen ingeburgerd: we weten dat vrouwen, ondanks gelijke kwalificaties en prestaties, minder vlot doorstromen naar hogere functies. Wat veel minder aandacht krijgt, is dat een gelijkaardig mechanisme ook speelt op basis van leeftijd. Vanaf ongeveer 45 jaar lijkt in veel organisaties een ander, minder zichtbaar plafond te ontstaan: het zilveren plafond. Geen formeel beleid, maar een subtiele verschuiving in kansen, verwachtingen en investeringen. Ervaren medewerkers blijven bijdragen en presteren, maar worden minder vanzelfsprekend gezien als onderdeel van de toekomst van de organisatie.

Onbedoelde uitsluiting

Met dit artikel willen we inzoomen op het zilveren plafond. Op basis van ons gesprek met organisatiepsycholoog Giverny De Boeck en haar recent academische onderzoek tonen we hoe dit plafond ontstaat door ogenschijnlijk objectieve HR-processen, meer bepaald door de manier waarop organisaties potentieel beoordelen.

Giverny De Boeck is onderzoeker in talent management en work design, verbonden aan IESEG School of Management. Haar werk situeert zich op het snijvlak van wetenschap en praktijk: ze onderzoekt hoe organisaties beslissingen nemen over talent, hoe werk wordt ontworpen en hoe impliciete aannames daarbij een rol spelen. Wat haar onderzoek bijzonder maakt, is dat ze niet blijft steken in abstracte theorie, maar systematisch blootlegt wat er concreet gebeurt in organisaties.

In haar recent gepubliceerde studie in Personnel Psychology onderzocht ze samen met collega’s waarom oudere werknemers minder kans maken op promotie. Daaruit blijkt dat het probleem niet in prestaties, motivatie of inzet van oudere werknemers zit, maar in de manier waarop organisaties naar hun toekomstig potentieel kijken.

Te vroeg oud

Een eerste belangrijke vaststelling is hoe snel we in HR spreken over oudere werknemers. In veel organisaties begint die categorie al rond 45 jaar. Dat is opvallend, want wie vandaag 45 is, heeft doorgaans nog minstens twintig actieve loopbaanjaren voor zich. Toch verandert rond die leeftijd iets fundamenteels in hoe mensen worden bekeken.

Waar jongere medewerkers automatisch worden gezien als ‘in ontwikkeling’, verschuift bij 45-plussers de blik subtiel richting stabiliteit, behoud en het ‘goed doen waar je zit’. Dat vertaalt zich niet noodzakelijk in slechtere evaluaties, maar wel in minder toekomstgerichte gesprekken, minder toegang tot talentprogramma’s en minder zicht op doorgroeimogelijkheden. Het is geen expliciet signaal, maar een sluipend proces dat zich vaak onder de radar voltrekt.

Niet prestaties

Wanneer organisaties geconfronteerd worden met de vaststelling dat oudere werknemers minder promoties maken, wordt vaak spontaan naar prestaties gekeken. Dat lijkt logisch: promoties zouden immers gebaseerd zijn op meritocratie. Het onderzoek van De Boeck toont echter dat deze verklaring niet volstaat.

In haar veldstudie werd rekening gehouden met werknemers hun prestatiebeoordelingen, anciënniteit, en zelfs met het feit dat promoties nu eenmaal schaarser worden naarmate men zich hoger in de organisatie bevindt (hiërarchisch niveau).

Zelfs wanneer voor al die factoren werden gecontroleerd, bleef het effect bestaan: naarmate werknemers ouder werden, daalde hun kans op promotie. Niet omdat ze slechter presteerden, maar omdat ze lager werden ingeschat op potentieel.

Dit is een cruciaal inzicht voor HR. Het suggereert dat de sleutel tot de silver ceiling niet ligt in het verleden (wat mensen al hebben bewezen) maar in hoe organisaties hun toekomst inschatten.

Vage toekomst

Potentieel klinkt objectief, maar is dat zelden. In veel organisaties wordt het gedefinieerd als ‘het vermogen om in de toekomst succesvol te zijn in een complexere of meer geavanceerde rol’. Dat klinkt logisch, maar roept wel een aantal vragen op: Potentieel voor welke rol? Op welke termijn? En op basis van welke criteria?

In de praktijk blijft potentieel te vaag. Tools zoals de nine-box grid vragen managers om medewerkers te positioneren op een as gaande van ‘laag’ naar ‘hoog’ potentieel, zonder dat altijd duidelijk is wat die labels precies betekenen. Het gevolg is dat managers zich wagen aan voorspellingen over de toekomst, vaak zonder harde data om op terug te vallen. En precies daar ontstaat het probleem…

Snel denken

Wanneer mensen beslissingen moeten nemen in situaties van onzekerheid, schakelen ze sneller over op heuristisch denken. Dat is een snelle, efficiënte manier van oordelen, gebaseerd op vuistregels (rules of thumb) en impliciete associaties. In veel situaties werkt dat prima. In talentbeslissingen kan het echter leiden tot systematische vertekening en zelfs discriminatie.

Potentieelbeoordelingen zijn bij uitstek onzeker. Ze gaan niet over wat iemand vandaag doet, maar over wat iemand morgen zou kunnen doen. In dat soort contexten worden kenmerken zoals leeftijd onbewust gebruikt als signaal. Leeftijd fungeert dan als een mentale shortcut: jong wordt geassocieerd met leervermogen, flexibiliteit en groei; ouder met stabiliteit, verminderde veranderbaarheid en een beperkter toekomstperspectief.

Onderzoek toont dat deze associaties diep verankerd zijn, zelfs bij ervaren managers en HR-professionals die expliciet inzetten op inclusie.

Zelfde profiel

Een van de meest overtuigende onderdelen van het onderzoek zijn de experimenten. Daarin kregen deelnemers fictieve profielen van medewerkers te zien, met identieke prestaties, competenties en loopbaanhistoriek (namelijk, 3 jaar relevante bedrijfservaring). Het enige verschil was de leeftijd: 28 of 48 jaar.

De resultaten waren consistent. De oudere medewerker werd systematisch lager beoordeeld op potentieel en kreeg daardoor minder kans op promotie. Belangrijk detail: dit effect trad vooral op bij beoordelaars die (vaak onbewust) negatieve stereotypen hadden over oudere werknemers. En het verdween volledig wanneer beoordelaars werden verplicht om hun oordeel expliciet te verantwoorden.

Verantwoording werkt

Een bijzonder hoopgevend inzicht uit het onderzoek is dat bias geen vaststaand gegeven is. In experimenten waarin beoordelaars vooraf te horen kregen dat ze hun beslissing zouden moeten uitleggen (namelijk, welke informatie ze gebruikten en hoe ze tot hun oordeel kwamen) schakelden ze over op systematischer denken. Ze namen meer tijd, wogen informatie zorgvuldiger af en baseerden hun oordeel minder op impliciete aannames.

Het gevolg? Het leeftijdseffect verdween! Oudere en jongere medewerkers kregen gelijke potentieelbeoordelingen wanneer hun profiel identiek was.

Voor HR betekent dit dat het probleem niet bij individuen zit, maar in hoe beslissingsprocessen zijn ingericht. Met relatief eenvoudige ingrepen kan de impact van stereotypen drastisch worden verminderd.

Onzichtbare schade

De silver ceiling speelt vooral in meer leeftijdsdiverse teams en in dynamische sectoren zoals technologie, waar oudere werknemers vaker zij aan zij werken met jongere collega’s en rechtstreeks met hen worden vergeleken. Dit fenomeen heeft niet alleen impact op promoties, maar ook op hoe mensen zich voelen in hun organisatie. Wanneer medewerkers merken dat zij (of hun leeftijdsgenoten) structureel minder kansen krijgen, tast dat hun gevoel van rechtvaardigheid aan. En dat gevoel is een cruciale voorspeller van welzijn, motivatie en engagement. Veel frustratie bij 45-plussers komt ook niet voort uit jaloezie tegenover jongere collega’s, maar uit het gevoel onzichtbaar te worden. Dat kan leiden tot disengagement en vervroegde uitstroom, precies op het moment dat organisaties klagen over schaarste aan talent en ervaring.

Lessen voor HR

1) Maak van potentieel een expliciet en afgebakend begrip

Potentieel mag geen vaag toekomstlabel blijven. HR moet expliciet maken:

  • potentieel voor wat: leidinggevende rollen, expertrollen, projectmatige groei, innovatie, verandering
  • op welke termijn: binnen één jaar, drie jaar, vijf jaar
  • op basis van welke criteria: welke gedragingen, leerpatronen en competenties wijzen effectief op toekomstig succes

Zolang die vragen niet helder beantwoord worden, blijft potentieel een projectievlak voor aannames en stereotypen.

2) Vertaal potentieel naar observeerbaar gedrag

Abstracte begrippen zoals ‘aanpassingsvermogen’ of ‘leervermogen’ moeten worden vertaald naar concreet gedrag:

  • hoe reageert iemand op nieuwe informatie
  • hoe past iemand zijn aanpak aan na feedback
  • hoe gaat iemand om met onzekerheid, verandering of complexiteit
  • Hoe concreter de criteria, hoe kleiner de ruimte voor onbewuste bias.

3) Dwing vertraging en verantwoording af in beoordelingen

Beoordelingsprocessen moeten managers expliciet uitnodigen om:

  • hun oordeel toe te lichten
  • te benoemen welke informatie ze hebben gebruikt
  • uit te leggen hoe ze die informatie hebben gewogen

Die verantwoording is geen administratieve last, maar een bewezen hefboom om van heuristisch naar systematisch denken te schakelen. 

4) Ontkoppel snelheid van kwaliteit in beslissingen over talent

Potentieel- en promotiebeslissingen mogen geen ‘tussen-de-soep-en-de-patatten’-oefening zijn. Als deze beslissingen bepalend zijn voor loopbanen, dan moeten ze:

  • tijd krijgen
  • als kerntaak worden erkend
  • expliciet worden meegenomen in de verwachtingen ten aanzien van leidinggevenden

5) Kijk naar je eigen data

HR moet de moed hebben om structurele patronen zichtbaar te maken:

  • wie krijgt promoties, en wie niet
  • wie stroomt door naar talent- en leiderschapsprogramma’s
  • hoe verhoudt dat zich tot de leeftijdsopbouw van de organisatie

Zonder die data blijft leeftijdsdiscriminatie onbedoeld én onzichtbaar.

6) Zie leeftijd als strategisch inclusiethema

Leeftijdsinclusie gaat niet over een nichegroep. Iedereen wordt ouder. Beleidskeuzes die vandaag 45-plussers beperken, creëren morgen een probleem voor de hele organisatie. Duurzaam talentmanagement veronderstelt dat ook ervaren medewerkers een toekomstperspectief behouden.

Wie is Giverny De Boeck?

Giverny De Boeck is organisatiepsycholoog en associate professor Human Resource Management aan IESEG School of Management. Ze behaalde haar doctoraat in Business Economics aan KU Leuven en bouwde sindsdien een sterk internationaal academisch parcours uit, met onderzoeksverblijven in onder meer Australië en samenwerkingen met toonaangevende onderzoekers in talentmanagement en werkontwerp.

Haar onderzoek focust op hoe organisaties omgaan met talent, potentieel en prestaties, en vooral op de vraag wat er gebeurt wanneer mensen het gevoel hebben dat hun potentieel onbenut blijft. Ze publiceerde hierover in toptijdschriften zoals Personnel Psychology, Journal of Management Studies en Journal of Organizational Behavior. In 2025 verscheen haar studie “Why is the ceiling silver?”, waarin ze samen met collega’s aantoont hoe potentieelbeoordelingen onbedoeld bijdragen aan leeftijdsdiscriminatie bij promoties.

Schrijf je in op de wekelijkse HR-nieuwsbrief

Ook interessant

LEES MEER

Schrijf je in op de #ZigZagHR-Nieuwsbrief

  • Iedere dinsdagochtend om 8u00 in jouw mailbox
  • Ideeën, inspiratie, best & next practices over (de toekomst van) HR
  • Waarmee jij aan de slag kan in jouw organisatie of HR team