Waarom de auto nog altijd de makkelijkste keuze is

Samenvatting

Werkgevers proberen werknemers met fietsleasing, openbaar vervoer en andere voordelen duurzamer te laten reizen. Maar zolang de auto zelf de gemakkelijkste en aantrekkelijkste keuze blijft, verandert er volgens mobiliteitsprofessor Marco te Brömmelstroet te weinig. Zijn pleidooi: kijk niet alleen naar het gedrag van werknemers, maar ook naar de spelregels die dat gedrag sturen. En leg je mobiliteitsbeleid eens naast de waarden die je als organisatie zegt belangrijk te vinden.

Mobiliteitsprofessor Marco te Brömmelstroet: “Stop met het aantrekkelijk maken van de privéauto”

Werkgevers investeren volop in duurzamere mobiliteit. Ze bieden fietsleasing aan, betalen openbaar vervoer terug en geven werknemers via het mobiliteitsbudget meer keuze. Toch blijft de auto voor veel werknemers de vanzelfsprekende optie. Volgens mobiliteitsprofessor Marco te Brömmelstroet hoeft dat niet te verbazen. We proberen mensen andere keuzes te laten maken, terwijl we de auto tegelijkertijd erg aantrekkelijk houden. Wie mobiliteit echt wil veranderen, moet daarom niet alleen naar het gedrag van werknemers kijken, maar ook naar de keuzes die de organisatie zelf maakt.

Marco te Brömmelstroet is hoogleraar Urban Mobility Futures aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van het Urban Cycling Institute. Hij staat ook bekend als The Cycling Professor. Zijn onderzoek gaat evenwel veel verder dan fietsen alleen. Hij stelt fundamentele vragen over de manier waarop we naar mobiliteit kijken. Waarom vinden we snelheid zo belangrijk? Waarom krijgt de auto zoveel ruimte? En wat gebeurt er wanneer we mobiliteit niet alleen bekijken vanuit bereikbaarheid en efficiëntie, maar ook vanuit gezondheid, ontmoeting en levenskwaliteit? Die vragen zijn ook relevant voor werkgevers.

Wat rekenen we mee?

Volgens te Brömmelstroet hebben organisaties en mobiliteitsbeleid iets gemeen. In beide gevallen proberen we voortdurend efficiënter te worden. We willen groeien, tijd winnen en kosten beperken. Daar is op zich niets mis mee. Het probleem ontstaat wanneer we alleen meten wat gemakkelijk meetbaar is. Daardoor blijven bepaalde kosten buiten beeld.

Te Brömmelstroet wijst op twee mechanismen. We gebruiken schaarse grondstoffen zonder hun volledige waarde of toekomstige schaarste mee te rekenen. En we schuiven een deel van de negatieve gevolgen van onze keuzes door naar anderen, het milieu of toekomstige generaties. Wat op papier efficiënt of economisch interessant lijkt, kan er daardoor heel anders uitzien wanneer we het volledige plaatje bekijken.

Dat geldt ook voor mobiliteit. Een bedrijfswagen kan bijvoorbeeld een interessante keuze lijken voor werkgever en werknemer. Maar in die berekening zitten lang niet alle gevolgen van autogebruik. Denk aan luchtvervuiling, files, ruimtegebruik, minder beweging of de impact op de leefomgeving.
Een deel van die kosten wordt niet door de werkgever of automobilist betaald, maar door de samenleving. Volgens te Brömmelstroet zouden we daarom breder moeten kijken naar wat mobiliteit werkelijk kost én oplevert.

Als werkgevers ook de kosten voor gezondheid, ontmoeting en levenskwaliteit zouden meewegen, wordt het al snel logischer om in te zetten op fietsen en openbaar vervoer.”

Gezondheid, ontmoeting en levenskwaliteit zijn voor hem daarbij niet noodzakelijk dé nieuwe maatstaven. Ze maken vooral duidelijk dat ook de doelen die we vandaag vanzelfsprekend vinden (zoals snelheid, bereikbaarheid en efficiëntie) keuzes zijn. We kunnen dus ook andere keuzes maken.

Waarom kiezen we voor de auto?

Daarmee komt hij bij een gevoelig punt in het mobiliteitsdebat. We spreken vaak over de mobiliteitskeuzes van werknemers, alsof iedereen ‘s ochtends uit een reeks gelijkwaardige opties kiest. Maar zijn die opties wel gelijkwaardig? Decennialang hebben we een systeem gebouwd waarin de auto vaak de gemakkelijkste keuze is. Wegen, parkeerplaatsen, fiscaliteit en vergoedingen spelen daarin allemaal een rol. Ook werkgevers hebben daar invloed op. Tegelijk proberen organisaties werknemers vandaag met nieuwe voordelen richting fiets of openbaar vervoer te bewegen. Volgens te Brömmelstroet kijken we daardoor te snel naar het individu en te weinig naar de omgeving waarin die keuze wordt gemaakt.

Bij mobiliteit is het vooral belangrijk dat de huidige incentives voor het hebben en gebruiken van de auto, waar we al decennia aan gewend zijn geraakt, worden weggenomen.

Verleiden alleen werkt niet

Een fietsvergoeding, fietslease of terugbetaling van het openbaar vervoer kan natuurlijk helpen. Maar alleen alternatieven aantrekkelijker maken, volstaat volgens te Brömmelstroet niet. Onderzoek naar gedragsverandering wijst volgens hem op het belang van een combinatie van wat vaak de ‘wortel en de stok’ wordt genoemd: gewenst gedrag aantrekkelijker maken én ongewenst gedrag minder gemakkelijk maken.

Voor een werkgever kan dat betekenen dat je niet alleen vraagt: wat kunnen we toevoegen om werknemers op de fiets of het openbaar vervoer te krijgen? Je kunt ook kijken naar wat je vandaag doet om autogebruik aantrekkelijk te maken. Gratis parkeerplaatsen zijn daarvan een eenvoudig voorbeeld. Wie met de auto komt, krijgt daarmee een voordeel dat een werknemer die fietst of de trein neemt niet gebruikt. Het gaat te Brömmelstroet dus niet in de eerste plaats om werknemers overtuigen. Het gaat om de spelregels waarbinnen zij hun keuze maken.

Past mobiliteit bij je waarden?

Voor te Brömmelstroet begint verbeelding niet bij dromen over hoe mobiliteit er binnen tien of twintig jaar kan uitzien. Hij vraagt werkgevers eerst stil te staan bij het toekomstbeeld dat vandaag al, vaak onbewust, achter hun keuzes zit. Welke ideeën over bereikbaarheid, vrijheid, status of efficiëntie zitten bijvoorbeeld vervat in het huidige mobiliteitsbeleid?
Vervolgens kunnen organisaties hun mobiliteitsbeleid eens naast hun eigen missie en waarden leggen. Veel organisaties zeggen vandaag dat gezondheid, duurzaamheid en welzijn belangrijk zijn. Maar zijn die ambities ook terug te vinden in de manier waarop ze mobiliteit organiseren?

Ook achter het huidige beleid zitten bepaalde ideeën. Een bedrijfswagen kan bijvoorbeeld verbonden zijn met status, beloning of het idee dat werknemers altijd en overal vlot bereikbaar moeten zijn. Omdat we dat systeem al zo lang kennen, staan we nauwelijks nog stil bij die uitgangspunten. Een nieuw mobiliteitsbeleid biedt een kans om dat wel te doen: welke manier van werken en leven willen we als organisatie ondersteunen?

Begin bij de auto

We vroegen te Brömmelstroet ten slotte waar een HR-directeur volgens hem best begint wanneer die het mobiliteitsbeleid wil herdenken. Zijn antwoord: “Stop met het aantrekkelijk maken van de privéauto.” Dat betekent niet dat elke werkgever morgen de auto moet bannen. Wel dat het weinig zin heeft om veel geld en energie te investeren in alternatieven, zolang de auto de gemakkelijkste en aantrekkelijkste keuze blijft.

Wie het mobiliteitsgedrag van werknemers wil veranderen, doet er dus goed aan eerst het eigen beleid onder de loep te nemen. Welke keuzes worden vandaag beloond, gefaciliteerd of als vanzelfsprekend beschouwd?

Wie is Marco te Brömmelstroet?

Marco te Brömmelstroet is hoogleraar Urban Mobility Futures aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van het Urban Cycling Institute. Hij is internationaal ook bekend als The Cycling Professor. In zijn onderzoek kijkt hij verder dan de klassieke mobiliteitsvragen over snelheid, bereikbaarheid en infrastructuur. Hij onderzoekt welke ideeën en waarden achter ons mobiliteitssysteem schuilgaan en wat er verandert wanneer gezondheid, ontmoeting en levenskwaliteit mee het vertrekpunt worden. Te Brömmelstroet is mede-auteur van Movement: How to Take Back Our Streets and Transform Our Lives.

 

Schrijf je in op de wekelijkse HR-nieuwsbrief

LEES MEER

Schrijf je in op de #ZigZagHR-Nieuwsbrief

  • Iedere dinsdagochtend om 8u00 in jouw mailbox
  • Ideeën, inspiratie, best & next practices over (de toekomst van) HR
  • Waarmee jij aan de slag kan in jouw organisatie of HR team