Vervlechting werk privé zet zich vertraagd door

Werk- en privésfeer lopen steeds meer door elkaar. De stijging die al werd vastgesteld tussen 2008 en 2014 toen de vervlechtingsscore (1=geen vervlechting, 10=totale vervlechting) steeg van 4 naar 4.4 heeft zich, zij het op een trager tempo, verdergezet. De score bedraagt nu 4.7. Dat blijkt uit recent onderzoek van Randstad Research bij 2.000 Belgen.

De toenemende vervlechting tussen werk en privé blijkt ook uit het concreet gedrag. In 2023 bedraagt het aandeel werknemers die buiten de kantooruren thuis niet of minder dan een uur op weekbasis met het werk bezig zijn nog 37%, een duidelijke daling in vergelijking met 2014 (48%). Tijdens het weekend is dit 52% (57% in 2014) en tijdens vakanties 65% (70% in 2014).

De verdere vervlechting tussen werk en privé leidt niet tot het globaal moeilijker kunnen combineren van werk en privé.

De gemiddelde tevredenheidsscore is zelfs weer iets gestegen (van 6.8 naar 7). Vooral bij thuiswerkers wordt de combinatie een stuk vlotter gemaakt (van 6.8 naar 7.3).

De toenemende vervlechting tussen werk en privé die we vaststelden tussen 2008 en 2014 zet zich verder door, zij het aan een trager ritme. Tussen 2008 en 2014 steeg de gemiddelde score (1=geen vervlechting, 10=totale vervlechting) van 4 naar 4.4. In 2023 bedraagt de score 4.7. Het is de grotere groep thuiswerkers die het meest verantwoordelijk is voor de gemiddeld hogere score. Het aandeel thuiswerkers is de afgelopen jaren sterk gestegen (25% in 2014, 44% in 2023) en bij thuiswerkers (5.3) is er een grotere vervlechting dan bij niet thuiswerkers (4.3). Het is trouwens enkel bij de laatste categorie dat de score (licht) gestegen is.

Het verschil tussen thuis en niet-thuiswerkers inzake vervlechting tussen werk en privé blijft groot.

Het verschil met 2014 zit bij de groep bij wie werk en privé heel sterk vervlochten is (score van 8 of meer). Het aandeel van die groep stijgt van 11% naar 19%. Bij masters en kaderleden stijgt dit zelfs naar 28%. Ook hier is vermoedelijk de grotere verspreiding van thuiswerk de belangrijkste driver. In 2014 bedroegen de respectievelijke aandelen slechts 13% en 15%. De groep waar werk en privé niet of slechts matig interfereren (scores 1 tot en met 4) blijft merkwaardig stabiel (49% in 2014, 48% in 2023). Het is de groep waar werk en privé op een gemiddelde wijze verstrengeld zijn die in belang afneemt (van 40% naar 33%).

Meer gewerkt buiten kantooruren in de week en het weekend.

De toenemende vervlechting tussen werk en privé blijkt ook uit het concreet gedrag. In 2023 bedraagt het aandeel werknemers die buiten de kantooruren thuis minder dan een uur op weekbasis met het werk bezig zijn nog 37%, een duidelijke daling in vergelijking met 2014 (48%).

De trend is dus onmiskenbaar, er wordt tijdens de week duidelijk meer gewerkt in de privésfeer buiten de kantooruren.

Het aandeel bedienden, ambtenaren en kaderleden die quasi strikt gescheiden leefwerelden hebben inzake werk en privé is anno 2023 gedaald tot iets meer dan een derde.

Is dezelfde trend ook merkbaar in het weekend? In de vorige studie was er een duidelijke trend richting meer thuiswerken in het weekend. In 2008 waren nog 71% van de respondenten niet of minder dan een uur met het werk bezig was. Dit aandeel daalde naar 57% in 2014.

Anno 2023 is er een verdere trend naar weekendwerk merkbaar maar niet heel uitgesproken.

Het aandeel werknemers die niet of minder dan een uur met het werk bezig zijn thuis in het weekend daalt van 57 naar 52%, nog net een meerderheid dus.

Ook tijdens de vakanties was in de vorige studie een duidelijke trend merkbaar naar meer werk. Het aandeel werknemers die niet of minder dan een uur aan de slag zijn tijdens een vakantie daalde tussen 2008 en 2014 van 79 naar 70%. Anno 2023 is er opnieuw sprake van een dalende trend, zij het (net als in het weekend) veel minder uitgesproken (van 70 naar 65%).

Combinatie tussen werk en privé licht verbeterd.

Een verdere vervlechting tussen werk en privé doet vermoeden dat werk en privé minder goed kunnen gecombineerd worden. Dat blijkt niet te kloppen.

De score stijgt zelfs licht in vergelijking met de vorige studie (van 6.8 naar 7). De groep voor wie er sprake is van moeizame combinatie (scores 1 tot en met 4) blijft quasi onveranderd op 13% (in 2014 15%). Het verschil wordt gemaakt door de groep die stelt dat werk en privé combineren vlot (scores van 8 en meer) gaat. Die groep stijgt van 40% naar 48%.

Het is de grotere verspreiding van thuiswerk die ervoor zorgt dat ondanks meer vervlechting tussen werk en privé de combinatie tussen werk en privé niet moeilijker geworden is, maar globaal zelfs licht beter. Bij thuiswerkers gaat de score van 6.8 naar 7.3.

Op het ogenblik dat de bevraging plaatsvond was de termijn verstreken voor bedrijven om een CAO af te sluiten rond het recht op deconnectie. Volgens 34% van de respondenten bestaat er in hun bedrijf of organisatie nu al effectief een recht op deconnectie. Bij nog eens 19% van de bedrijven is er globaal geen verwachting om na de uren ter beschikking te zijn. Dat betekent dat nu al meer dan de helft van de respondenten in bedrijven/organisaties werken waar een feitelijk deconnectiebeleid van kracht is. Slechts 7% van de respondenten rapporteren dat ze in een bedrijf werken waar dat uitdrukkelijk wel verwacht wordt. Bij de overige bedrijven (40%) is er geen eenduidig beleid of sprake van duidelijke cultuur.

Naast werken in de privésfeer kunnen er natuurlijk ook privézaken geregeld worden op het werk. In 2008 en 2014 ging het om twee op drie werknemers. Dit aandeel is onveranderd gebleven. Een beetje vreemd omdat de drempel om dit soort zaken in werktijd te regelen via de grotere verspreiding van thuiswerk sterk is gedaald.

“De meest opmerkelijke bevinding in de studie is dat ook bij bedienden, kaderleden en ambtenaren thuiswerk nog steeds geen zaak is van een meerderheid. Dit is alleen het geval bij hooggeschoolden met een masterdiploma (71%). Bij respondenten met hoogstens een middelbaar diploma is dat slechts een derde.
Thuiswerk is ook bij bedienden minder algemeen verspreid dan dikwijls wordt gesuggereerd”.

Jan Denys, arbeidsmarktexpert bij hr-dienstverlener Randstad

Schrijf je in op de wekelijkse HR-nieuwsbrief

Ook interessant

LEES MEER