Sarah Vansteenkiste over veertig jaar vooruitgang en de breuklijnen achter het gemiddelde
Wie vandaag naar de Vlaamse arbeidsmarkt kijkt, vergeet gemakkelijk hoe ingrijpend de positie van vrouwen in één generatie veranderde. In 2025 waren bijna drie op de vier Vlaamse vrouwen tussen 20 en 64 jaar aan het werk. In enkele decennia evolueerde betaald werk voor vrouwen van uitzondering naar norm. Volgens Sarah Vansteenkiste is dat een van de grootste structurele veranderingen op onze arbeidsmarkt. Toch vertelt de stijgende werkzaamheidsgraad niet het hele verhaal. Vrouwen werken nog altijd veel vaker deeltijds, zijn sterk vertegenwoordigd in bepaalde sectoren en niet iedere groep deelt even sterk in de vooruitgang. Vansteenkiste plaatst de grote inhaalbeweging daarom in perspectief en brengt ook de verschillen in arbeidsduur, loopbaankansen en toegang tot werk in kaart.
Van uitzondering naar norm
Over een periode van ongeveer vier decennia veranderde de aanwezigheid van vrouwen op de Vlaamse arbeidsmarkt fundamenteel. In 2025 was 74,3% van de vrouwen aan het werk, tegenover 80,4% van de mannen. De periode van veertig jaar is daarbij een redactionele meetlat: ze maakt de omvang van de historische ontwikkeling zichtbaar, zonder te suggereren dat de emancipatie van vrouwen pas in de jaren tachtig begon. “De algemene stijging van de werkzaamheidsgraad die Vlaanderen heeft gekend, is in belangrijke mate te danken aan vrouwen die aan het werk zijn gegaan”, zegt Sarah Vansteenkiste, promotor en directeur van Steunpunt Werk. “Dat is zonder meer goed nieuws. De cijfers zijn spectaculair te noemen.”
De cijfers tonen inderdaad een indrukwekkende inhaalbeweging. Terwijl de werkzaamheidsgraad van mannen de voorbije decennia rond 80% bleef schommelen, kwam de groei van de Vlaamse werkzaamheidsgraad vooral van vrouwen. Ook de afstand tussen vrouwen en mannen werd aanzienlijk kleiner. Volgens Sarah is die kloof de voorbije veertig jaar maar liefst zes keer zo klein geworden.
De arbeidsmarkt werd daardoor niet alleen vrouwelijker, thema’s die vroeger gemakkelijk buiten het arbeidsmarktdebat bleven, kwamen erdoor mee op de voorgrond. De combinatie van werk en zorg, de gevolgen van deeltijds werk, de organisatie van loopbanen en de positie van vrouwen in verschillende levensfasen zijn geen randthema’s meer. Ze raken een groot deel van de werkende bevolking en dus ook steeds meer de kern van het HR-beleid.
De kloof verschuift naar de gewerkte uren
De klassieke werkzaamheidsgraad telt hoeveel mensen een job hebben. Ze vertelt niet hoeveel uren zij werken. Zodra Sarah de cijfers vanuit dat perspectief bekijkt, wordt de genderkloof opnieuw groter. In 2025 werkte 39,6% van de werkende vrouwen deeltijds, tegenover 12% van de mannen. Vlaanderen behoort daarmee tot de Europese regio’s waar deeltijds werk bij vrouwen het sterkst ingeburgerd is. Ook bij mannen neemt het aandeel langzaam toe, maar het verschil blijft aanzienlijk.
Dat wordt nog duidelijker wanneer de werkzaamheid niet in personen, maar in voltijdse equivalenten wordt uitgedrukt. Zodra het werkelijk gepresteerde arbeidsvolume wordt meegeteld, ligt de werkzaamheidsgraad van vrouwen een stuk lager en wordt de afstand tot mannen opnieuw groter. De eerste inhaalbeweging is dus ver gevorderd: vrouwen hebben in grote aantallen toegang gekregen tot betaald werk. De inhaalbeweging in arbeidsvolume, inkomen, sociale rechten en loopbaankansen is veel minder volledig.
Vansteenkiste benadrukt dat een groot deel van het deeltijdse werk voortkomt uit een bewuste keuze. Voor sommige vrouwen en mannen biedt het ruimte om verschillende verantwoordelijkheden te combineren. De vraag is in welke omstandigheden die keuze gemaakt wordt, welke alternatieven werkelijk beschikbaar zijn en wie later de gevolgen draagt. Sommige vrouwen kiezen bewust voor minder uren. Anderen vinden geen voltijdse baan of werken in sectoren waarin vooral deeltijdse contracten worden aangeboden. Nog anderen stemmen hun arbeidsduur af op schooluren, kinderopvang of mantelzorg. Een formeel vrijwillige keuze ontstaat dan binnen grenzen die niet door de werknemer alleen worden bepaald.
Een gezinsbeslissing met individuele gevolgen
Zorg blijft een belangrijke verklaring voor het verschil in arbeidsduur. Vrouwen noemen het opnemen van zorg volgens Sarah veel vaker als reden om deeltijds te werken dan mannen. Daarin blijft het traditionele rollenpatroon zichtbaar: wanneer binnen een gezin minder betaalde arbeid wordt verricht om zorg op te nemen, is het nog altijd meestal de vrouw die haar arbeidsduur vermindert.
Ook de aanwezigheid en het aantal kinderen beïnvloeden de arbeidspositie van vrouwen veel sterker dan die van mannen. Vansteenkiste spreekt over een werkzaamheidspenalty die vooral bij kort- en middengeschoolde vrouwen groter wordt naarmate er meer kinderen in het gezin zijn. Bij mannen is dat patroon veel minder uitgesproken.
Achter die verschillen zitten beslissingen die binnen gezinnen vaak redelijk en praktisch lijken. Wie verdient het meest? Wie kan gemakkelijker een dag minder werken? Welke werkgever biedt flexibiliteit? Wie neemt de zorg op wanneer een kind ziek is of wanneer de opvang sluit? Omdat vrouwen gemiddeld vaker minder verdienen en meer zorgtaken opnemen, komt de keuze om minder te werken nog altijd vaker bij hen terecht.
De gevolgen zijn niet altijd meteen zichtbaar. Vansteenkiste kreeg na eerder onderzoek dat in de pers verscheen verschillende reacties van vrouwen van veertig en vijftig die pas door die publicatie beseften wat hun deeltijdse loopbaan betekende voor hun pensioen, sociale rechten of positie na een scheiding.
“Ook wanneer deeltijds werk een gezinsbeslissing is, is het meestal de vrouw die de individuele gevolgen draagt”, zegt ze. “Op het moment zelf lijkt de keuze misschien logisch. Maar het is vaak pas wanneer iemand later opnieuw voltijds wil werken, wanneer een relatie eindigt of wanneer de pensioenleeftijd nadert, dat gemerkt wordt hoe lang die beslissing doorwerkt.”
Deeltijds werk kan ook tijdens de loopbaan gevolgen hebben. Vansteenkiste wijst erop dat minder werken de promotie- en doorgroeikansen kan beïnvloeden. Een tijdelijke aanpassing aan een intensieve levensfase kan daardoor veel langer doorwerken dan oorspronkelijk voorzien. HR kan werknemers helpen om de gevolgen van arbeidsduurkeuzes voor loon, ontwikkeling, sociale bescherming en pensioen beter te begrijpen.
De gemiddelde vrouw bestaat niet
De stijging van de vrouwelijke werkzaamheidsgraad wekt de indruk dat de achterstand bijna is ingehaald. Maar dat beeld verandert zodra we de cijfers verder uitsplitsen. De verschillen tussen vrouwen onderling zijn soms groter dan het gemiddelde verschil tussen vrouwen en mannen.
Opleidingsniveau vormt een van de scherpste breuklijnen. In 2025 was 88,7% van de hooggeschoolde Vlaamse vrouwen tussen 25 en 64 jaar aan het werk. Bij kortgeschoolde vrouwen bedroeg de werkzaamheidsgraad 41,9%. “Hooggeschoolde vrouwen zijn op onze arbeidsmarkt bijna maximaal aan het werk”, zegt Vansteenkiste. “De grootste ruimte voor vooruitgang zit bij groepen die vandaag veel minder toegang tot werk hebben.”
Ook migratieachtergrond tekent een duidelijke breuklijn. Vrouwen met een migratieachtergrond participeren beduidend minder op de arbeidsmarkt. Die afstand wordt nog groter wanneer verschillende kwetsbaarheden, zoals een migratieachtergrond en een korte scholing, samenkomen.
Volgens Vansteenkiste spelen verschillende mechanismen door elkaar. Sommige vrouwen kwamen in het kader van gezinshereniging naar België en werden lange tijd nauwelijks vanuit een arbeidsmarktperspectief benaderd. Ook taal, diploma-erkenning, de aansluiting tussen ervaring en beschikbare jobs en traditionele verwachtingen binnen gezinnen en organisaties kunnen meespelen. De focus van het inburgeringsbeleid is volgens haar pas de voorbije jaren nadrukkelijker richting werk verschoven. Dat kan nieuwe mogelijkheden openen, maar eenvoudige verklaringen volstaan niet. Iemand die een oorlog of conflictsituatie ontvluchtte, vertrekt vanuit een andere positie dan iemand die specifiek voor een baan emigreerde. Een diploma dat hier niet wordt erkend, zegt evenmin dat de kennis of ambitie ontbreekt. Achter een lage werkzaamheidsgraad kunnen dus heel verschillende verhalen schuilgaan. Dat vraagt om een bredere blik op talent én op de drempels rond werk.
Een verdeelde arbeidsmarkt
Vrouwen en mannen zijn ook vandaag nog sterk over verschillende sectoren en beroepen verdeeld. Vrouwen zijn onder meer sterk oververtegenwoordigd in de zorg en maatschappelijke dienstverlening. Die verdeling is niet neutraal. Sectoren verschillen in lonen, uurroosters, contracten, fysieke belasting en mogelijkheden om werk zelfstandig te organiseren. In sterk gefeminiseerde sectoren is deeltijds werk bovendien vaak nadrukkelijk aanwezig.
Sarah wijst op een opmerkelijke spanning. Zorgorganisaties kampen al jaren met krapte, terwijl tegelijk heel wat medewerkers in de sector deeltijds werken. Een deel kiest daar zelf voor, maar er zijn ook werknemers die meer uren willen en die niet aangeboden krijgen. Versnipperde uurroosters, de organisatie van shiften en de combinatie met de eigen zorgtaken kunnen een uitbreiding van de arbeidsduur bemoeilijken.
Dat vrouwen vaker in zorgende, dienstverlenende en fysiek belastende beroepen werken, kan ook mee bepalen hoe lang zij dat werk kunnen volhouden. Vansteenkiste blijft voorzichtig met medische verklaringen: arbeidsongeschiktheid, fysieke belasting, mentale gezondheid en bijvoorbeeld menopauzeklachten vragen elk om specifieke expertise. De cijfers maken wel zichtbaar dat de grotere aanwezigheid van vrouwen nieuwe vragen stelt aan de manier waarop werk en gezondheid worden onderzocht en georganiseerd.
Een loopbaan is geen rechte lijn
De klassieke loopbaan veronderstelt een werknemer die jarenlang ongeveer even beschikbaar en productief blijft. Die veronderstelling past steeds minder bij een arbeidsmarkt waarop mensen langer werken en tijdens hun loopbaan verschillende zorg-, gezondheids- en levensfasen doorlopen.“Onze loopbanen duren veertig jaar en langer”, zegt Vansteenkiste. “Ze hoeven niet voortdurend dezelfde intensiteit te hebben. Een periode waarin gezin of gezondheid meer aandacht vraagt, hoeft niet te betekenen dat iemand blijvend kansen mist.”
Tijdelijk minder werken hoeft ontwikkeling echter niet stil te leggen. Een medewerker die enkele jaren minder beschikbaar is, kan later opnieuw meer verantwoordelijkheid opnemen. Dat veronderstelt dat opleidingen, uitdagende opdrachten en promotiekansen niet automatisch verdwijnen zodra iemand diens arbeidsduur vermindert.
Maatwerk kan helpen, zolang het niet omslaat in nieuwe stereotypen. Meer aandacht voor zwangerschap, ouderschap of menopauze mag er niet toe leiden dat werkgevers vrouwen bij voorbaat als een groter organisatorisch risico beschouwen. Niet iedere vrouw heeft dezelfde behoefte en niet iedere levensfase verloopt op dezelfde manier.
Vansteenkiste pleit daarom voor een open blik op individuele loopbanen. Dat begint bij personeelsdata die verder gaan dan het algemene aandeel vrouwen. Hoe zijn arbeidsuren verdeeld? Wie werkt onvrijwillig deeltijds? Wie stroomt door naar opleiding en promotie? Welke groepen haken af of verdwijnen uit beeld? En welke functies bieden ruimte om arbeidsduur in de loop van een lange carrière opnieuw op te bouwen?
De volgende fase van de inhaalbeweging
De feminisering van de Vlaamse arbeidsmarkt is een succesverhaal. Sarah Vansteenkiste opent ons dossier met deze indrukwekkende ontwikkeling. In enkele decennia werd betaald werk voor vrouwen de norm en werd de afstand tot mannen veel kleiner. De groei van de Vlaamse werkzaamheidsgraad is dan ook voor een belangrijk deel te danken aan vrouwen die de arbeidsmarkt hebben betreden.
Maar die vooruitgang verliep niet voor iedere vrouw op dezelfde manier. Sommigen werken hun hele loopbaan voltijds, terwijl anderen minder gaan werken om zorg op te nemen. Nog andere vrouwen vinden moeilijk toegang tot een stabiele job, een voldoende inkomen, ondernemerschap of een functie waarin hun stem echt wordt gehoord. Achter de gemiddelden gaan dus heel verschillende loopbanen en ervaringen schuil.
Die verschillen worden verderop in dit dossier uitgediept. Morien El Haj onderzoekt de impact van zorg en ouderschap op de loopbaan. Elke De Witte kijkt dan weer naar de vaardigheden die mensen door zorgervaring ontwikkelen. Heidi Degerickx en Sanne Coremans van Netwerk tegen Armoede leggen uit waarom een job niet altijd voldoende zekerheid of economische zelfstandigheid biedt. Lien Warmenbol bespreekt de ongelijke toegang tot ondernemerschap. En Sigrid Wallaert laat zien waarom een stoel aan tafel nog niet betekent dat vrouwen ook evenveel invloed krijgen.
De cijfers van Sarah vormen zo als het ware de landkaart voor de rest van het dossier. Ze tonen hoeveel vooruitgang vrouwen hebben geboekt, maar ook waar de wegen nog uiteenlopen. “Er is veel in beweging gezet dankzij vrouwen die de arbeidsmarkt hebben betreden”, besluit ze. “Maar onder die vooruitgang blijven verschillen en kwetsbaarheden bestaan.”
Meer info
- https://www.steunpuntwerk.be/cijfers/vlaanderen-binnen-europa-werkzaamheid
- https://www.steunpuntwerk.be/publicaties/een-verborgen-genderkloof-de-rol-van-deeltijds-werk-in-de-arbeidsmarktparticipatie-van-vrouwen-en-mannen
- https://www.steunpuntwerk.be/publicaties/de-niet-beroepsactieven-in-vlaanderen-ontleed-een-profielschets-van-huisvrouwen-en-arbeidsongeschikten
- https://www.steunpuntwerk.be/publicaties?search=trendrapport&authors=&sort=postDate%20DESC
===
Wie is Sarah Vansteenkiste
Sarah Vansteenkiste is econoom, promotor en directeur van Steunpunt Werk en deeltijds hoofddocent aan KU Leuven. Ze werkt sinds 2009 bij Steunpunt Werk en neemt er sinds 2016 de dagelijkse leiding op. Haar onderzoek richt zich onder meer op arbeidsmarktmonitoring en -projecties, duurzame loopbanen, toekomst van werk, arbeidsmarktkrapte, mobiliteit, levenslang leren en de in- en uitstroom op de arbeidsmarkt. Daarnaast vertaalt ze arbeidsmarktdata naar inzichten voor beleid, sociale partners en organisaties.





