Waarom de link tussen werk, ziekte en arbeidsorganisatie complexer is dan vaak wordt voorgesteld
Jan Denys volgt sinds 1984 onafgebroken het reilen en zeilen op de arbeidsmarkt. Eerst als wetenschappelijk onderzoeker aan het Hoger Instituut voor de Arbeid van de KU Leuven, later als woordvoerder en arbeidsmarktexpert bij Randstad. Hij groeide uit tot een van de bekendste opiniemakers ter zake. In deze rubriek helpt hij jou de actuele arbeidsmarktontwikkelingen in het juiste perspectief te plaatsen. Jan Denys sluit grotendeels aan bij het gedachtengoed van Geert Van Hootegem, zoals toegelicht in diens boek Archipelagos. De kunst van het organisatiedesign, maar hij wijst ook op waar meer nuance nodig is en waar belangrijke factoren in het debat volgens hem nog onderbelicht blijven.
Met ‘Archipelagos : de kunst van het organisatiedesign’ heeft professor Geert Van Hootegem samen met Chris Sels zijn opgedane inzichten van de voorbije decennia inzake het verbeteren van de arbeidsorganisatie en de kwaliteit van de arbeid neergeschreven. Het boek is de vrucht van theoretische reflectie en de praktijk. Het belang ervan kan niet overschat worden. Met veel inzichten ben ik het eens.
Arbeidsorganisatie als productiviteitshefboom
Ook ik ben ervan overtuigd dat de arbeidsorganisatie beter moet. De voorbije halve eeuw hadden we overschotten op de arbeidsmarkt en moest menselijk kapitaal niet heel efficiënt en effectief worden ingezet, volk genoeg. Die tijd ligt achter ons. Ziekenhuizen sluiten bedden, horecazaken gaan dicht tijdens het weekend, leerlingen brengen veel tijd door in de studiezaal, voor een flink stuk door een gebrek aan mensen. Willen we ons model duurzaam behouden, dan zal de gemiddelde productiviteit per werknemer moeten stijgen. Het stijgen van de productiviteitswinst is de grootste uitdaging de komende decennia. Het is zeer aannemelijk dat dit o.a. ook kan door een betere arbeidsorganisatie. Dit kan echter niet gebeuren ten koste van de individuele werknemer. Er moet niet noodzakelijk harder maar zeker slimmer worden gewerkt. Indien ik nu op de arbeidsmarkt zou instromen dan zou ik eerder inzetten op expertise inzake arbeidsorganisatie dan inzake arbeidsmarkt.
Fixatie op instroom
Ik deel ook 100% zijn visie op de fixatie op de instroom in het arbeidsmarktbeleid. Systematisch wordt de doorstroom niet meegenomen in de analyse. Als er te weinig ingenieurs zijn, dan moeten er altijd meer jongeren kiezen voor ingenieurstudies. Dat we ingenieurs vinden in talloze jobs die nog weinig met de studie te maken hebben, wordt niet meegenomen in de probleemformulering. Misschien is het zinvoller om die doorstroom eens kritisch te bekijken?
De illusie van een snellere arbeidsmarktintrede
Maar op belangrijke punten verschil ik van mening. Dat we de jongeren massaal vroeger op de arbeidsmarkt moeten krijgen b.v. dat kun je wel willen, daar zijn zelfs ernstige argumenten voor, maar het gaat niet gebeuren. Je moet wel systemen van eeuwig studeren aanpakken maar je gaat de onderstroom van het wat uitstellen van de definitieve intrede op de arbeidsmarkt niet fundamenteel ombuigen. Jongeren anticiperen daarmee ook op het langer werken. In Nederland is er intussen een hele industrie ontstaan die jongeren begeleidt in deze langere overgang van de schoolbanken naar de werkvloer. Veel jongeren willen nog iets aparts doen, los van studeren of werken, dikwijls in het buitenland. Die geest krijg je moeilijk, als je dat al moet willen, opnieuw in de fles. Wat je wel kunt doen is inzetten op beleid om van het studentenwerk, dat nu massaal verricht wordt, meer studierelevante bijbanen te maken.
Maakt werk ziek?
Voor Van Hootegem moet de arbeidsorganisatie veranderen omdat het de huidige werkende mensen ziek maakt. Hij maakt daarbij gebruik van het intussen bekende model van de Amerikaanse socioloog Robert Karasek. Hij ontwikkelde in 1979 het Jobs Demand Control-model. Daarin worden de eisen aan het werk zoals werkdruk, emotionele belasting, moeilijkheidsgraad van de taken (Job Demands) gekoppeld aan de regelmogelijkheden zoals het kunnen variëren in de taken en autonomie (Job Control). Als je hoge en lage taakeisen en regelmogelijkheden koppelt, krijg je vier varianten. De ideale job is een actieve job die hoge taakeisen met hoge regelmogelijkheden combineert. Nauwelijks 22% van de jobs in België zouden onder deze combinatie vallen. In Vlaanderen ligt dat aandeel flink hoger (28%) maar blijft het een minderheid. Aan de andere kant van het spectrum zijn er jobs met hoge taakeisen maar met weinig regelmogelijkheden. Die leveren veel stress op. Dat worden slopende jobs genoemd. Zo’n 15% van de jobs vallen in deze categorie. Dit zijn jobs die we proberen zoveel als mogelijk te vermijden. Dan zijn er nog twee andere categorieën. In het eerste geval zijn er weinig uitdagingen maar toch veel regelmogelijkheden (zinloze jobs), in het tweede geval gaat het om jobs met zowel weinig regelmogelijkheden als uitdagingen (passieve jobs). Deze jobs maken de meerderheid uit van alle jobs, 20% zijn passieve jobs en maar liefst 43% zinloze jobs. Ik stel me bij de laatste categorie toch de vraag, hoe zien die 43% zelf hun job. Ik kan me niet voorstellen dat ze deze zelf allemaal als zinloos zien. In elk geval, volgens dit model zijn 78% van de jobs in België in meer of mindere mate ziekmakend. Voor Vlaanderen apart zou dit nog steeds meer dan 70% zijn. Op het gevaar af om cynisch te klinken maar vanuit dit perspectief bekeken, valt het aantal en aandeel zieken en invaliden in dit land (7%) nog mee.
Veel beleid, weinig beweging
Het model van Karasek is bijna een halve eeuw oud. Heeft dit model nu geleid tot een grote verandering van de arbeidsorganisatie en de kwaliteit van de arbeid? Van Hootegem zelf beweert in zijn boek van niet. Hij maakt daarbij gebruik van cijfers van de SERV die slaan op Vlaanderen. Die zijn inderdaad zeer teleurstellend. Volgens de SERV is er de voorbije 20 jaar geen enkele vooruitgang gemaakt. Zowel het aandeel actieve als passieve jobs is quasi onveranderd gebleven. Het aandeel slopende jobs is zelfs licht gestegen. Als men dan in rekening brengt dat de sociale partners in Vlaanderen reeds 20 jaar actie voeren rond werkbaar werk dan is het misschien wel tijd om een en ander in vraag te stellen. Een kleine troost is dat het in Nederland nog slechter is. Daar is de situatie zelfs iets slechter geworden doorheen de tijd. Het aandeel actieve jobs (18%) ligt ook een stuk onder het aandeel van Vlaanderen (28%).
Ziekte is meer dan een werkprobleem
Van een zaak zijn we echter zeker, de kwaliteit van de arbeid en de werkorganisatie is er in Vlaanderen niet slechter op geworden. Maar toch is het aantal zieken gigantisch gestegen. Daar zijn zeker verklaringen voor, alleen is het duidelijk dat de samenhang tussen de kwaliteit van de arbeid en het voorkomen van ziekten veel minder duidelijk is dan gesuggereerd. Misschien is die stijging wel meer een gevolg van wat er allemaal gebeurt in de privésfeer, de toename van de leefstress, de alomtegenwoordigheid van de fomo.
De samenhang tussen kwaliteit van de arbeid en ziekte moet dus verder verfijnd worden. Het aantal zieken is ook afhankelijk van ons systeem waarin de ziekte terecht komt en waarvan we nu weten dat we dit veel te passief hebben aangepakt waardoor tienduizenden mensen blijvend in de inactiviteit terecht zijn gekomen. Landen met lage ziektecijfers zijn altijd landen met een activerend systeem. Zieken worden er niet aan hun lot overgelaten.
Demografie verklaart veel, maar niet alles
Van Hootegem verklaart in zijn boek zeer veel vanuit de demografie. Het is de demografie die ervoor zorgt dat we van teveel naar te weinig mensen evolueren. Uiteraard kan het belang van de demografie niet voldoende benadrukt worden maar het is niet de enige variabele. We zijn als arbeidssysteem ook geëvolueerd van grote jobdestructie naar grote jobcreatie. Tussen 1974 en 1984 waren er 8 jaar met netto jobdestructie. De volgende 40 jaar kenden we nog 6 jaar met netto jobdestructie waarvan drie tussen 1991 en 1994. In de 20ste eeuw was jobdestructie beperkt tot telkens een jaar, de laatste keer in 2013. Het is sinds WO II nooit eerder gebeurd dat we zo’n lange periode met jobcreatie hebben gehad. Demografie verklaart veel maar zeker niet alles. Anders zou Italië nu een van de meest florerende arbeidsmarkten moeten hebben van de EU. In de praktijk is het de slechtst presterende.
Leren van wat niet werkte
Een laatste opmerking is dat er te weinig wordt gerefereerd naar wat niet heeft gewerkt de voorbije jaren inzake verbetering van de arbeid. Zo is het succes van de zelfregulerende teams beperkt. Het doel van zelfregulerende teams was het geven van meer autonomie aan medewerkers. Maar dit leverde dikwijls meer in de plaats van minder stress op. Bovendien zorgde dit voor nog meer onderling overleg en nog minder tijd om de job zelf te doen. Dit mag uiteraard geen argument zijn om alles bij het oude te laten of erger nog terug te keren naar de oude modellen van ‘command and control’. Maar willen we meer vooruitgang maken, dan zullen we toch ook kritischer moeten kijken naar de bestaande verbetertrajecten.





