Van spierkracht naar breinkracht

Volgens Jan Denys heeft onze arbeidsmarkt nood aan cognitieve ergonomie

Jan Denys volgt sinds 1984 onafgebroken het reilen en zeilen op de arbeidsmarkt. Eerst als wetenschappelijk onderzoeker aan het Hoger Instituut voor de Arbeid van de KU Leuven, later als woordvoerder en arbeidsmarktexpert bij Randstad. Hij groeide uit tot een van de bekendste opiniemakers ter zake. In deze rubriek helpt hij jou de actuele arbeidsmarktontwikkelingen in het juiste perspectief te plaatsen. Decennialang organiseerden we arbeid rond fysieke belasting. We bouwden arbeidswetten, sociale bescherming, arbeidsongeschiktheid en organisaties rond het lichaam van de werknemer. Maar intussen is de arbeidsmarkt fundamenteel veranderd. Niet spierkracht maar breinkracht werd de belangrijkste productiefactor. Werk draait vandaag steeds meer rond concentratie, kennis, informatieverwerking, creativiteit en mentale veerkracht. Alleen zijn onze systemen nauwelijks mee geëvolueerd. De grote uitdaging voor de komende jaren? Leren hoe we niet alleen fysiek, maar ook cognitief werkbaar werk organiseren. Of zoals hij het noemt: de ontwikkeling van een echte cognitieve ergonomie.

Tekst Jan Denys / Foto: Caroline Dupont

Wanneer is denken belangrijker geworden dan fysiek doen op de arbeidsmarkt? Wanneer werd breinkracht belangrijker dan spierkracht? Dat is niet zo gemakkelijk te bepalen. In de VS waren er in 1956 al meer white-collar dan blue-collar werknemers. De term kenniswerker duikt voor het eerst op in 1969 in het boek ‘The Age of Discontinuity’ van de Amerikaanse professor, consultant en managementgoeroe Peter Drucker. In het boek beschrijft hij de verschuiving van een economie gebaseerd op goederen naar een economie gebaseerd op kennis. Hij heeft het dan al over de enorme invloed van nieuwe technologieën en nieuwe sectoren (financiële sector, diensten aan bedrijven). De kenniswerker wordt niet betaald om hetgeen hij met zijn handen doet maar om wat hij met zijn brein produceert. Van hem dateert ook de uitspraak dat de grootste verdienste van het management van de 20e eeuw, de vervijftigvoudiging van de productiviteit van de fabrieksarbeider was.

De uitdaging van het management voor de 21ste eeuw is om de productiviteit van de kenniswerkers op een vergelijkbare wijze te verbeteren. De 21ste eeuw is intussen al meer dan een kwart bezig maar voorlopig zit die vervijftigvoudiging er nog niet in. Alle hoop wordt nu gevestigd op AI. Er zijn aanwijzingen van productiviteitsstijgingen door A.I. maar er is ook nog steeds veel scepsis.

Nieuwe economie, oude spelregels

Naast de kenniswerker kwam op het einde van de twintigste eeuw ook het begrip kenniseconomie op. Toen de toenmalige eerste minister Jean Luc Dehaene in 1993 met zijn idee voor een nieuw sociaal pact op de proppen kwam was het onderliggende idee dat de economie en dus ook de arbeidsmarkt intussen getransformeerd was van een industriële economie naar een kenniseconomie. De bestaande instituties (CAO’s, contracten van onbepaalde duur, collectieve arrangementen,…) waren echter nog volledig gebaseerd op de oude industriële cultuur. Om dit te wijzigen was een sociaal pact nodig. Dat kwam er niet. In de plaats kwam een Globaal Plan, maar dat was veel minder vernieuwend dan Dehaene oorspronkelijk voor ogen had. Het historische compromis van het vorige sociaal pact uit 1944 was al in 1974 feitelijk gesneuveld. De sociale partners zouden er niet alleen in 1993 maar ook nadien niet meer in slagen een nieuwe gemeenschappelijke visie te ontwikkelen. Dat is een belangrijke reden waarom het primaat van de politiek het sinds enkele decennia heeft overgenomen. De sociale partners spelen nu tweede viool. Ze brengen nog wel ideeën aan en ze formuleren soms alternatieve voorstellen maar ze zijn niet langer de dirigent van de arbeidsmarkt.

Heel ons institutioneel bouwwerk blijft ook in 2026 sterk gebaseerd op deze die in het industriële tijdperk zijn ontstaan. Er is noch bij de werkgevers, noch bij de vakbonden maar ook niet in de politiek een ambitie om dit gebouw eens deftig te renoveren. Bij de vakbonden overheerst vooral de vrees dat de werknemer in het nieuwe gebouw minder rechten zal hebben. De werkgevers schrikken vooral terug vanwege de enorme complexiteit. Een homogeen gebouw renoveren zou misschien nog lukken maar met al die historisch gegroeide koterijen is er bijna geen beginnen meer aan. Er zal wellicht een sterke externe kracht nodig zijn (een economische crisis, een geopolitieke gebeurtenis) om de zaak echt in beweging te krijgen. Niet vergeten dat het eerste sociaal pact ook na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen.

De feminisering van de arbeidsmarkt

Anno 2026 is er in elk geval geen discussie meer mogelijk. De breinkracht is nu toonaangevend. De rol van spierkracht is sterk teruggelopen. Veel manuele arbeid is geautomatiseerd, zij het vooral het uitvoerende fysieke werk. Zelfs in jobs waar manuele vaardigheden nog steeds belangrijk zijn, speelt het brein een steeds belangrijker rol. Het is nog steeds niet helemaal duidelijk wat de uiteindelijke consequenties zijn van deze fundamentele ontwikkeling. Ik ken geen overzicht dat poogt het geheel in kaart te brengen. We beperken ons tot drie aanzetten.

Vooreerst heeft het belangrijker worden van de breinkracht in de kaart gespeeld van de vrouwen. Inzake spierkracht zijn vrouwen gemiddeld beperkter dan mannen. Over het algemeen beschikken de vrouwen over 60% tot 70% van de spierkracht van mannen. In het bovenlichaam (schouders, borst, armen) is dit nog lager. Dat geldt niet voor het brein. Het is een van de verklaringen voor de definitieve feminisering van de arbeidsmarkt de voorbije halve eeuw. Als er al instituties onder druk zijn gekomen, dan zijn het mannelijke instituties (voltijdse contracten, ononderbroken loopbanen, vaste werktijden …). Maar de opkomst van de breinkracht heeft niet gezorgd voor een desegregatie van de arbeidsmarkt. Het is niet alleen fascinerend om te zien hoeveel beroepen en zelfs hele sectoren sterk genderbepaald zijn gebleven, ook in nieuwe sectoren en beroepen is de gendersegregatie nog steeds sterk.

Waarom cognitieve ergonomie de volgende grote uitdaging wordt

Een ander belangrijk gevolg van de opmars van het brein is de verandering van de ziektebeelden. Het is intussen duidelijk dat het hoge aantal langdurig zieken en invaliden in België en vooral de stijging ervan slechts heel gedeeltelijk kan verklaard worden door de ontwikkelingen in de kwaliteit van de arbeid. Maar los daarvan zijn de depressies en burn-outs en andere psychische stoornissen sterker aan het stijgen dan de eerder fysieke aandoeningen. Bij de depressies en burn-outs en de psychische stoornissen bedraagt de stijging tussen 2020 en 2025 39% en 30%. Bij spier- en gewrichtsaandoeningen bedraagt de stijging ‘slechts’ 20%.

Het belangrijker worden van de zgn. psychische aandoeningen heeft opnieuw grote gevolgen. Het hele concept arbeidsongeschiktheid is niet langer geschikt want nog volledig gebaseerd op de fysieke variant. Het is ook duidelijk dat de betrokken artsen zeker in het verleden de competenties misten om correcte diagnoses te maken. En in tegenstelling tot de fysieke variant was het niet langer mogelijk om de oorzaak van het psychisch falen volledig in de schoenen van de slechte kwaliteit van de arbeid te schuiven.

Een van de grote oorzaken van het disfunctioneren van het brein, chronische stress, is niet beperkt tot de werkvloer maar een onderdeel van het steeds drukker wordende privéleven. Ons brein wordt te weinig gedeconnecteerd. Tenslotte is de medische kennis om psychisch dysfunctioneren te verhelpen beperkter dan deze in verband met fysiek dysfunctioneren. Het tweede is per definitie ook complexer en veel moeilijker te meten dan het eerste. We weten hoe een beenbreuk het best geneest, maar over de beste manier om een burn-out te verhelpen verschillen de meningen nog steeds heel sterk. Er is niet eens overeenstemming over de medische diagnose van de ziekte. Een van de grote uitdagingen bestaat erin om een cognitieve ergonomie te ontwikkelen.

En wat doet AI straks met ons brein?

Wat zal de impact zijn van A.I. op het functioneren van het brein? Nu machines het manuele werk doen, moeten we onze spieren op peil houden in onze vrije tijd. Daar is intussen een hele vrijetijdsindustrie uit voortgekomen. Staat ons hetzelfde te wachten voor ons brein? Dat is niet heel waarschijnlijk omdat ons brein oneindig veel complexer is dan onze spieren en dus door AI nog niet zo gemakkelijk zal worden gekopieerd. Intussen kunnen we wel al beginnen nadenken over de digitale opvolger van het kruiswoordraadsel. Dat zal enkel lukken als we ons niet teveel laten afleiden.

Het is niet uitgesloten dat dit in de toekomst enkel nog lukt met behulp van … A.I.

Schrijf je in op de wekelijkse HR-nieuwsbrief

Ook interessant

LEES MEER

Schrijf je in op de #ZigZagHR-Nieuwsbrief

  • Iedere dinsdagochtend om 8u00 in jouw mailbox
  • Ideeën, inspiratie, best & next practices over (de toekomst van) HR
  • Waarmee jij aan de slag kan in jouw organisatie of HR team